Dinsdag 19 mei 2026, commissie Justitie en Veiligheid (J&V)




Agenda

1.Vaststellen agenda

2.36.125

Initiatiefvoorstel-Sneller Wet verval bijzondere aanwijzingsbevoegdheid openbaar ministerie

Beslispunt

Wenst de commissie:

  • het wetsvoorstel af te doen als hamerstuk of na stemming?
  • aan de Kamervoorzitter een datumvoorstel te doen voor een plenair debat?
  • een datum te bepalen voor het leveren van inbreng voor een tweede verslag?

Toelichting

  • Het voorstel is op 25 november 2025 aangenomen door de Tweede Kamer.
  • Dit initiatiefvoorstel van het Tweede Kamerlid Sneller (D66) wijzigt de Wet op de rechterlijke organisatie (Wet Ro) waardoor de bevoegdheden die de minister van Justitie en Veiligheid heeft om zich te mengen in individuele strafzaken van het Openbaar Ministerie (OM) worden aangepast.
  • Met dit wetsvoorstel beoogt de initiatiefnemer vier wijzigingen door te voeren. Allereerst stelt hij voor de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van de minister te laten vervallen. De minister kan dan niet meer een aanwijzing geven tot opsporing, tot vervolging of tot niet-vervolging of de wijze voorschrijven waarop het OM in een concrete strafzaak zijn bevoegdheden moet inzetten. Hierdoor wordt formeel ingrijpen door de minister in een strafzaak onmogelijk gemaakt. Daarnaast wordt de inlichtingenplicht van het College van procureurs-generaal beperkt waardoor er over individuele zaken geen inlichtingen meer aan de minister worden verstrekt. Het voorstel laat ook de verplichting om besluiten niet meer eerst aan de minister voor te leggen vervallen. Te denken valt aan een besluit over de inzet van bepaalde bijzondere opsporingsbevoegdheden. Ten slotte stelt de initiatiefnemer voor dat de uitoefening van taken en bevoegdheden door het OM in een concreet geval plaatsvindt zonder ondergeschiktheid aan de minister.
  • Op 22 januari 2026 hebben de leden van de fracties van de BBB, VVD, D66, CDA, PVV, ChristenUnie, JA21, SGP en de Fractie-Van de Sanden vragen voorgelegd aan de initiatiefnemer en/of de regering. De leden van de fractie van de PvdD hebben zich aangesloten bij de gestelde vragen en opmerkingen door de leden van de fractie van de ChristenUnie.
  • De brief met de antwoorden van de regering is ontvangen op 11 mei 2026 (36.125, C). De nota naar aanleiding van het verslag met de antwoorden van de initiatiefnemer is ontvangen op 15 mei 2026 (36.125, D). De nadere procedure ligt vandaag ter bespreking voor.

Nadere procedure

3.36.547

Verslag van een schriftelijk overleg met de minister van J&V over het ontbreken van een toelichting op nieuw toegevoegde uitbuitingsvormen (waaronder gedwongen huwelijken) in artikel 273 Wetboek van Strafrecht; Wet modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel

Beslispunten

Wenst de commissie:

  • naar aanleiding van de brief van 20 april 2026 (36.547, C) met de minister van J&V in nader schriftelijk overleg te treden?
  • zo nee, de brief van de minister voor kennisgeving aan te nemen en een beslissing te nemen over de nadere procedure?
  • De commissie kan vervolgens besluiten:
    • het wetsvoorstel af te doen als hamerstuk of na stemming;
    • aan de Kamervoorzitter een datum voor een plenair debat voor te stellen;
    • een datum vast te stellen voor het leveren van inbreng voor een derde verslag.

In het laatste geval meldt de commissie het wetsvoorstel aan voor plenaire behandeling onder voorbehoud van tijdige ontvangst van de nota naar aanleiding van het derde verslag (artikel 45.5 Reglement van Orde Eerste Kamer).

Toelichting

  • De Tweede Kamer heeft het wetsvoorstel op 10 juni 2025 met algemene stemmen aangenomen.
  • Dit wetsvoorstel wijzigt het Wetboek van Strafrecht (ook voor BES) en enkele andere wetten in verband met de modernisering en verruiming van de strafbaarstelling van mensenhandel. De centrale doelstelling van het wetsvoorstel is het effectiever maken van de strafrechtelijke aanpak van mensenhandel, waardoor de vervolging van daders en de bescherming van slachtoffers wordt verbeterd.

    Met dit voorstel wordt de strafbepaling van mensenhandel vereenvoudigd. De samenhang tussen de verschillende delictsvormen wordt verbeterd om de wet zo meer bij tijd te brengen. Om dit te bereiken worden alle voorwaarden voor strafbaarheid in de wet neergelegd. Ook sluiten de juridische kwalificaties en strafmaxima beter aan op het karakter van de gedragingen waaraan deze zijn verbonden. Zo is er bijvoorbeeld meer duidelijkheid over de verhouding tussen mensenhandel en het daarmee verwante begrip uitbuiting. Hierdoor zal de rechtspraktijk beter met onderhavig wetsvoorstel uit de voeten kunnen. Daarnaast voorziet dit wetsvoorstel in belangrijke verruimingen van de strafrechtelijke aansprakelijkheid. Zo wordt met het misdrijf ernstige benadeling een nieuwe strafbaarstelling geïntroduceerd. Daarmee ontstaan ruimere mogelijkheden om strafrechtelijk op te treden tegen ernstige misstanden in de arbeidssfeer. Zoals bijvoorbeeld een arbeidsmigrant die gedurende lange tijd wordt uitgebuit. Ook wordt de strafbaarstelling die ziet op het trekken van voordeel uit mensenhandel verruimd en verbreed. Profiteurs van mensenhandel of ernstige benadeling van een persoon kunnen hierdoor effectiever worden vervolgd en bestraft.

  • Op 8 juli 2025 heeft de commissie inbreng voor het verslag geleverd. Op 2 oktober 2025 heeft de commissie de nota naar aanleiding van het verslag ontvangen (36.547, C).
  • Op 11 november 2025 heeft de commissie inbreng voor het tweede verslag geleverd. Op 12 maart 2026 is de nota naar aanleiding van het tweede verslag ontvangen (36.547, E).
  • De commissie besloot op 31 maart 2026 de nadere procedure aan te houden en, op initiatief van het lid Janssen (SP), bij commissiebrief van 7 april 2026 aan de regering te vragen of zij mogelijkheden ziet om huwelijkse uitbuiting expliciet in het wetsvoorstel op te nemen als vorm van mensenhandel. Aanleiding hiervoor waren zorgen binnen de commissie dat deze vorm van uitbuiting in het wetsvoorstel onvoldoende expliciet naar voren komt. De minister van J&V heeft deze brief op 20 april 2026 beantwoord. Het verslag van het schriftelijk overleg (36.547, F) en de aangehouden nadere procedure liggen vandaag ter bespreking voor.

Nadere procedure en bespreking van verslag schriftelijk overleg

4.36.657

Vastlegging gebruiksdoelen van het Europees strafregisterinformatiesysteem

Beslispunt

Welke fracties leveren vandaag inbreng voor het verslag?

Toelichting

  • Het wetsvoorstel is op 15 april 2026 aangenomen door de Tweede Kamer (zie het stemmingsoverzicht in de bijlage).
  • Dit wetsvoorstel wijzigt de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens in verband met het vastleggen van het gebruik van het Europees strafregisterinformatiesysteem voor niet-strafrechtelijke doelen. Het Europees strafregisterinformatiesysteem bestaat uit twee onderdelen, te weten:
  • 1. 
    Ecris: een decentraal informatiesysteem met als doel om informatie over veroordelingen van burgers uit te wisselen tussen de lidstaten van de EU; en
  • 2. 
    Ecris-TCN: een centraal informatiesysteem om vast te stellen welke lidstaten van de EU beschikken over informatie over veroordelingen van burgers van derde landen.
  • De commissie besloot op 21 april 2026 om vandaag (19 mei 2026) gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor het verslag.

Internetconsultatie en uitvoeringstoetsen

Cf. de notitie Uitvoerbaarheid, handhaafbaarheid en doenvermogen burgers treft u hieronder een overzicht met link naar de internetconsultatie en uitvoeringstoetsen.


Inbreng

5.36.225, L

Verslag van een nader schriftelijk overleg met de minister van J&V inzake de uitvoering van de motie-Nicolaï c.s. over na gaan of er een beroep openstaat op grond van de Algemene wet bestuursrecht; Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten

Beslispunten

Wenst de commissie:

  • naar aanleiding van de brief van 21 april 2026 (36.225, L) met de minister van J&V in nader schriftelijk overleg te treden?
  • de bespreking van de uitvoeringsstatus (thans: niet uitgevoerd) van de motie-Nicolaï c.s. (36.225, H) aan te houden in afwachting van de door de minister aangekondigde nadere reactie?

Toelichting

  • Bij de behandeling van het wetsvoorstel op 21 januari 2025 is de vraag besproken of de beslissing van de weegploeg om een persoon aan te melden voor bespreking in het casusoverleg radicalisering moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Naar aanleiding hiervan heeft de Kamer de motie-Nicolaï c.s. (36.225, H) aangenomen.
  • Motie-Nicolaï (PvdD) c.s. over na gaan of er een beroep openstaat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (36.225, H)

    In deze motie wordt de regering verzocht om na te gaan of tegen de beslissing als bedoeld in artikel 5, derde lid van de Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten, beroep openstaat op grond van de Algemene wet bestuursrecht en als dat niet het geval is, te onderzoeken of het belang van rechtsbescherming noopt om dat beroep te openen.

  • Naar aanleiding van de brief van de minister van J&V van 3 september 2025 (36225, J) heeft de commissie op 9 september 2025 besloten om op 23 september 2025 gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor schriftelijk overleg en de status van de motie-Nicolaï c.s. (36.225, H) als 'niet uitgevoerd' te blijven beschouwen.
  • Bij brief van 1 oktober 2025 heeft de commissie enkele vragen aan de minister van Justitie en Veiligheid gesteld. Op 26 maart 2026 ontving de commissie de antwoordbrief (36.225, K) waaruit volgt dat tegen voornoemde beslissing geen beroep openstaat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
  • Op 31 maart 2026 besloot de commissie de brief van 26 maart 2026 voor kennisgeving aan te nemen en een commissiebrief te sturen waarin wordt gevraagd of de regering overweegt om de motie uit te voeren en de thans ontbrekende rechtsbescherming alsnog te realiseren en de wet op dit punt aan te passen.
  • Op 21 april 2026 heeft de minister van J&V geantwoord op deze commissiebrief (36.225, L). In deze brief geeft de minister aan de zorgen van de Kamer serieus te nemen, maar meer tijd nodig te hebben om deze zorgvuldig te beoordelen. In dat kader overweegt hij externe expertise in te winnen en kondigt hij aan de Kamer hierover op een later moment nader te informeren.

Bespreking van verslag nader schriftelijk overleg en uitvoeringsstatus motie

6.29.628 / 31.934, E

Verslag van een schriftelijk overleg met de staatssecretaris van J&V over de motivering van de aangeboden vertrouwelijke stukken betreffende de Ontwerpregeling tot wijziging van de Regeling aanwijzing functies VOG Politiegegevens; Politie

Beslispunten

  • Acht de commissie de vertrouwelijkheid van de vertrouwelijk ter inzage gelegde stukken, gelet op de nadere motivering van de staatssecretaris van J&V in de brief van 24 april 2026 (29.628 / 31.934, E), voldoende gemotiveerd?
  • Zo ja, wenst de commissie de brief van de staatssecretaris voor kennisgeving aan te nemen?
  • Zo nee, geeft de brief aanleiding tot nader schriftelijk overleg?

Toelichting

  • Op 26 maart 2026 heeft de staatssecretaris van J&V het ontwerp van een wijziging van de Regeling aanwijzing functies politiegegevens (hierna: de Regeling) aangeboden. De Regeling is gebaseerd op artikel 35a van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Met de voorgestelde wijziging worden enkele functies aangewezen bij het OM en worden een aantal functiebenamingen bij de Douane gewijzigd.
  • De Regeling wordt aan de Kamer voorgelegd ter uitvoering van de voorhangprocedure die is opgenomen in artikel 35a, vijfde lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijkegegevens en om de Kamer de mogelijkheid te geven zich uit te spreken over het ontwerp. De regeling staat als te doen gebruikelijk vermeld op de lijst gedelegeerde regelgeving.
  • Voornoemde openbare aanbiedingsbrief ging vergezeld van voorstellen en voordrachten tot aanwijzing van functies die vertrouwelijk ter inzage zijn gelegd bij de griffie, omdat deze achtergrondinformatie kunnen bevatten over specifieke aan te wijzen functies met een hoog integriteitsrisico.
  • Op 31 maart 2026 besloot de commissie de brief van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 26 maart 2026 (29.628 / 31.934, D) voor kennisgeving aan te nemen en een commissiebrief aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid te sturen met het verzoek nader te motiveren waarom de aangeboden voorstellen tot aanwijzing en voordrachten van functies bij Openbaar Ministerie en Douane vertrouwelijk ter inzage zijn gelegd bij de griffie.
  • Op 24 april 2026 heeft de staatssecretaris van J&V geantwoord op deze commissiebrief (29.628/31.934, E) en (nader) gemotiveerd dat de voorstellen en voordrachten tot aanwijzing van functies vertrouwelijk aan de Kamer zijn gezonden "omdat deze achtergrondinformatie bevatten over specifieke aan te wijzen functies met een hoog integriteitsrisico bij het OM en de Douane. De betreffende stukken leggen namelijk in één weergave bloot welke functionarissen toegang hebben tot specifieke gevoelige informatie, wat hen kwetsbaar kan maken voor chantage, manipulatie of gerichte ondermijning door de georganiseerde misdaad. Of ze geven kwaadwillenden inzicht in de interne organisatie, waardoor zij effectiever kunnen zoeken naar zwakke plekken voor infiltratie of spionage. Om de persoonlijke veiligheid van de medewerkers en de integriteit van de voordragende organisaties te beschermen, is vertrouwelijkheid daarom wenselijk."

Procedure beoordeling vertrouwelijkheid

Op grond van de Regeling vertrouwelijke stukkenPDF-document, artikel 5, eerste lid, dient de brief waarmee een vertrouwelijk stuk is aangeboden, voor behandeling in een commissievergadering van de behandelde commissie geagendeerd te worden. De motivering van de vertrouwelijkheid van het stuk en de voorwaarden van inzage kunnen in deze vergadering worden besproken.

Tweede Kamer

Een brief van gelijke strekking is op 25 maart 2026 gezonden aan de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De Tweede Kamercommissie voor Justitie en Veiligheid heeft de brief op 1 april 2026 voor kennisgeving aangenomen en geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid zich in het kader van de voorhangprocedure over het ontwerp uit te spreken.


Bespreking van verslag schriftelijk overleg

7.36.225, M

Brief van de minister van J&V inzake de uitvoering van de motie-Van de Sanden c.s. over onderzoek doen naar de wettelijke kaders en richtlijnen om online te monitoren; Wet gegevensverwerking persoonsgerichte aanpak radicalisering en terroristische activiteiten

Beslispunten

  • Wenst de commissie de brief van de minister van J&V van 12 mei 2026 (36.225, M) voor kennisgeving aan te nemen of wenst zij hierover in nader schriftelijk overleg te treden?
  • Geeft de brief van de minister aanleiding de motie-Van de Sanden (VVD) c.s. over onderzoek doen naar de wettelijke kaders en richtlijnen om online te monitoren (36.225, I) als (deels) uitgevoerd te beschouwen?

Toelichting

  • Tijdens de rondvraag van de J&V-commissievergadering op 31 maart 2026 vroeg het lid Van de Sanden (Fractie-Van de Sanden) de griffie bij het ministerie navraag te doen naar de stand van zaken van (punt 3 van het dictum van) de motie-Van de Sanden (VVD) c.s. over onderzoek doen naar de wettelijke kaders en richtlijnen om online te monitoren (36.225, I).
  • In deze motie wordt de regering verzocht onderzoek te doen naar de wettelijke kaders en richtlijnen met betrekking tot de bevoegdheid van burgemeesters om online te monitoren, een handreiking te ontwikkelen betreffende online monitoren en de Kamer te informeren over de bevindingen en eventuele aanbevelingen.
  • Op 12 mei 2026 ontving de commissie een brief van de minister van J&V waarin hij ingaat op de uitvoering van deze motie (36.255, M). De minister concludeert onder meer dat burgemeesters geen wettelijke grondslag hebben voor online monitoring gericht op personen ten behoeve van de preventie van radicalisering. Daarnaast wijst hij op diverse bestaande en ontwikkelde producten en ondersteuningstrajecten voor gemeenten met betrekking tot online radicalisering en online onderzoek. De minister beschouwt de motie daarmee als afgedaan.

Bespreking brief en uitvoeringsstatus motie

8.Mededelingen en informatie






9.Rondvraag

10.Openstaande correspondentie

Hieronder is een overzicht van de openstaande correspondentie weergegeven. Een overzicht van wetsvoorstellen die bij de commissie voor Justitie en Veiligheid (J&V) in (schriftelijke) behandeling zijn, is hier te raadplegen.

Overzicht openstaande correspondentie

Verzonden

Onderwerp (+link brief)

Reactietermijn

Toelichting

18 november 2025 aan stas. J&V

Brief over de Staat van de wetgevingskwaliteit en de kabinetsbrede agenda met initiatieven voor het versterken van de kwaliteit van wetgeving

Link brief

16 december 2025

Update (brief) 17 februari 2026:

De antwoorden zullen worden opgenomen in de kabinetsreactie op het WODC-onderzoek naar de wijze van parlementaire controle op het gebruik van algoritmen in en ter uitvoering van wetgeving. Een update van het onderzoek wordt rond de zomer verwacht.

7 april 2026 aan stas. J&V

Brief over de monitoringsrapportages online kansspelen 2025

Link brief

5 mei 2026

Update 23 april 2026: De antwoorden volgen in de week van 11 mei 2026.

29 april 2026 aan min. J&V

Brief naar aanleiding van het jaarverslag 2025 van het Europees Openbaar Ministerie

Link brief

19 mei 2026

 

Wetgeving

31 maart 2026

Tweede verslag Wet digitale algemene vergadering privaatrechtelijke rechtspersonen (36.489)

Link verslag

28 april 2026

De nota n.a.v. het tweede verslag is op 18 mei 2026 ontvangen en zal worden besproken in de commissievergadering van 26 mei 2026.

Bijgewerkt: 18 mei 2026



Korte aantekeningen