Dinsdag 26 mei 2026, commissie Infrastructuur en Waterstaat / Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (I&W/VRO)




Agenda

1.Vaststellen agenda


2.Commissieagenda onderdeel I&W

3.36800 XII

Begrotingsstaten Infrastructuur en Waterstaat 2026

Beslispunt

Wenst de commissie:

  • een datum te bepalen voor het leveren van inbreng voor een tweede verslag?
  • het wetsvoorstel af te doen als hamerstuk of na stemming?
  • aan de Kamervoorzitter een datumvoorstel voor een plenair debat te doen?

Nadere procedure

4.36800 A

Begrotingsstaat Mobiliteitsfonds 2026

Beslispunt

Wenst de commissie:

  • een datum te bepalen voor het leveren van inbreng voor een tweede verslag?
  • het wetsvoorstel af te doen als hamerstuk of na stemming?
  • aan de Kamervoorzitter een datumvoorstel voor een plenair debat te doen?

Nadere procedure

5.35386, P

Brief van de staatssecretaris van I&W ter aanbieding van het ontwerpbesluit houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling; Initiatiefvoorstel-Klaver en Ouwehand Wet veilige jaarwisseling

Beslispunten

  • Wenst de commissie de Kamer te laten instemmen met het concept-koninklijk besluit tot inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling?
  • Zo ja, wenst zij de Kamer dan voor te stellen expliciet in te stemmen door middel van een plenair besluit?
  • Zo nee, hoe wenst zij het concept-koninklijk besluit dan te behandelen?

Toelichting

Bij brief van 8 mei 2026 heeft de regering het concept-koninklijk besluit tot inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling (35.386) bij de beide Kamers voorgehangen. Het conceptbesluit noemt als datum van inwerkingtreding 1 augustus 2026. Artikel III van de Wet veilige jaarwisseling bepaalt ten aanzien van de inwerkingtreding:

  • 1. 
    Deze wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen verschillend kan worden vastgesteld.
  • 2. 
    De voordracht voor een koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd. Indien een der kamers der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt er geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na het besluit van die kamer der Staten-Generaal een nieuw ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal worden overgelegd.

Dit artikel, dat sterk lijkt op de inwerkingtredingsbepaling van de Omgevingswet, is ingevoerd door het amendement-Michon-Derkzen (TK, 16). De voorhangtermijn loopt tot en met 5 juni 2026. Het betreft een minimumtermijn ('niet eerder dan vier weken'). De commissie kan desgewenst de termijn stuiten en de staatssecretaris verzoeken pas een voordracht bij de koning te doen nadat het overleg met de Kamer is afgerond. Daarbij geldt wel dat de staatssecretaris staatsrechtelijk niet verplicht is dit verzoek te honoreren en uit de planning van de regering volgt dat zij het koninklijk besluit half juni wil vaststellen en voor 1 juli in de Staatscourant wil publiceren.

Als de Kamer besluit niet in te stemmen, dient de staatssecretaris minimaal zes weken te wachten alvorens een nieuwe voorhang te starten. Wél instemmen kan door de voorhangtermijn simpelweg te laten verstrijken, maar ook door een expliciet plenair besluit. Aan de leden wordt dan voorgelegd of zij in kunnen stemmen met het concept-koninklijk besluit. Aangezien de Kamer bij de Omgevingswet op deze wijze een besluit heeft genomen, geniet een expliciet besluit de voorkeur.

In de toelichting op het genoemde amendement-Michon-Derkzen zijn als voorwaarden voor inwerkingtreding opgesomd (ambtelijke noot in vet):

  • 1. 
    Er ligt een effectief handhavingsplan van de politie en de gemeenten.
    • zie de brief bij agendapunt 4
  • 2. 
    Er ligt een uitwerkte AMvB als gevolg van het aangenomen amendement van het lid Bikker c.s. waarbij de burgemeester een bevoegdheid tot het verlenen van ontheffingen ten behoeve van georganiseerde groepen burgers is toegekend.
    • de commissie heeft het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling schriftelijk behandeld. Op 31 maart jl. besloot zij de voorhangprocedure te beëindigen opdat het ontwerpbesluit naar de Afdeling advisering van de Raad van State kon worden gestuurd.
  • 3. 
    Er ligt een eerlijke en nette compensatieregeling die in afstemming tussen het Ministerie en de vuurwerkbranche tot stand is gekomen, inclusief een deugdelijke dekking binnen de I&W-begroting.
    • zie de brief bij agendapunt 5

Naar het oordeel van de regering is aan deze drie voorwaarden voldaan.

Als de commissie meent dat (nog) niet aan deze voorwaarden is voldaan en zij bijvoorbeeld nog extra informatie nodig heeft of vragen wenst te stellen, dan kan zij in schriftelijk of mondeling overleg treden. Voor een eventueel plenair debat over het concept-koninklijk besluit is verlof van de Kamer vereist (artikel 51, eerste lid, RvO), nu het geen wetsvoorstel betreft.

Behandeling Tweede Kamer

De vaste commissie voor I&W treedt in schriftelijk overleg met de staatssecretaris. Op 22 mei 2026 wordt inbreng daarvoor geleverd; de staatssecretaris dient uiterlijk 29 mei te antwoorden. Als er dan nog behoefte is aan een Kameruitspraak, kan deze binnen de voorhangtermijn worden gedaan.


Bespreking

6.35386, R

Brief van de minister van J&V over het geactualiseerde handhavingsplan Wet veilige jaarwisseling; Initiatiefvoorstel-Klaver en Ouwehand Wet veilige jaarwisseling

Beslispunt

Wenst de commissie naar aanleiding van de brief van 8 mei 2026 met de minister van J&V in overleg te treden?

Toelichting

Bij brief van 8 mei 2026 heeft de minister van J&V de Kamer het geactualiseerde handhavingsplan aangeboden. Anders dan in de brief wordt gesuggereerd, is dit de eerste informatie die de Eerste Kamer over dit handhavingsplan ontvangt. Eerdere brieven werden uitsluitend aan de Tweede Kamer verzonden. De toezeggingen, moties en debatten die in de brief genoemd worden, hebben dan ook alleen betrekking op de Tweede Kamer.


Bespreking

7.35386, Q

Brief van de staatssecretaris van I&W over de nadeelcompensatieregeling voor vuurwerkbedrijven; Initiatiefvoorstel-Klaver en Ouwehand Wet veilige jaarwisseling

Beslispunt

Wenst de commissie naar aanleiding van de brief van 8 mei 2026 met de staatssecretaris van I&W in overleg te treden?

Toelichting

Bij brief van 8 mei 2026 heeft de staatssecretaris van I&W de Kamer geïnformeerd over de grondslagen voor de nadeelcompensatieregeling voor de vuurwerkbranche. Ten aanzien van de hoogte van de compensatie en de dekking schrijft de staatssecretaris:

"De geraamde kosten voor de voorliggende uitwerking van de nadeelcompensatieregeling komen uit op ca. € 90 miljoen. Omdat het bij nadeelcompensatie altijd om een openeinderegeling gaat, kan het uiteindelijk benodigde bedrag hoger of lager uitvallen. Daarom reserveer ik uit voorzorg € 100 miljoen. Om uitvoering te geven aan het breed aangenomen amendement[-Michon-Derkzen] en de nadrukkelijke wens daarin om de dekking te vinden binnen de IenW-begroting, wordt de dekking voor een belangrijk deel gevonden binnen het Mobiliteitsfonds en een beperkt deel uit resterende middelen van de Aanvullende Post van Klimaatakkoord Rutte III. Deze resterende middelen zijn overgeboekt bij Voorjaarsnota 2026 naar de begroting van IenW. Specifiek zal de dekking nu binnen het Mobiliteitsfonds worden ingeboekt bij de KCI strategie van ProRail: Klimaatneutrale en Circulaire Infraprojecten (KCI). Er zal nog een brede afweging binnen het MF plaatsvinden zoals gemeld in de brief van 16 maart jl. over prioritering fondsen."


8.35386, S

Verslag van een nader schriftelijk overleg met de staatssecretaris van I&W over de Wet veilige jaarwisseling; Initiatiefvoorstel-Klaver en Ouwehand Wet veilige jaarwisseling

Beslispunt

Wenst de commissie naar aanleiding van de brief van 8 mei 2026 met de staatssecretaris van I&W in nader schriftelijk overleg te treden?

Toelichting

Tijdens de plenaire behandeling van het Initiatiefvoorstel-Klaver en Ouwehand Wet veilige jaarwisseling (35.386) heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat de Kamer, naar aanleiding van vragen van het lid Talsma (ChristenUnie), toegezegd om een evaluatie van de wet uit te voeren en de Kamer over het tijdpad hiervan te informeren in de verzamelbrief Vuurwerk. Deze brief is op 11 juli 2025 ontvangen. Hierover heeft een schriftelijk overleg plaatsgevonden (35386, J) en bij uitgaande brief van 16 december zijn nadere vragen gesteld, gebaseerd op inbreng van de leden van de fractie van de BBB. De Kamer ontving een bericht van uitstel van beantwoording op 8 januari 2026. Na op 14 januari 2026 een rappelbrief te hebben verzonden, is de antwoordbrief van de staatssecretarisop 8 mei jl. ontvangen en deze is heden ter bespreking bijgevoegd.

De reden van de lange duur van de beantwoording is dat de uitgangspunten voor de nadeelcompensatieregeling en de benodigde dekking nog niet bekend waren. Dat is nu wel het geval: zie het vorige agendapunt.


Bespreking verslag van een nader schriftelijk overleg


9.35386, T

Verslag van een nader schriftelijk overleg met de staatssecretaris van I&W over het Ontwerpbesluit veilige jaarwisseling

Beslispunt

Wenst de commissie naar aanleiding van de brief van 22 mei 2026 met de staatssecretaris van I&W in nader schriftelijk overleg te treden?

Toelichting

Bij brief van 16 januari 2026 (35386, K) heeft de staatssecretaris van I&W bij de Kamer het ontwerpbesluit tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in verband met de Wet veilige jaarwisseling (kortweg: Besluit veilige jaarwisseling) voorgehangen. De commissie heeft in haar vergadering van 31 maart jl. besloten, na twee schriftelijke ronden, de voorhangprocedure te beëindigen opdat het ontwerpbesluit naar de Afdeling advisering van de Raad van State kon worden gestuurd. De commissie besloot tevens, los van de voorhangprocedure, om fracties die daar nog behoefte aan hadden op 21 april 2026 gelegenheid te bieden voor het leveren van inbreng voor nader schriftelijk overleg. Bij uitgaande brief van 28 april 2026 zijn nadere vragen gesteld, gebaseerd op inbreng van de leden van de fractie van de BBB. De antwoordbrief van de staatssecretaris is op 22 mei jl. ontvangen en heden ter bespreking bijgevoegd.


Bespreking

10.31936, BV, BW en BZ

Brief van de minister van I&W ter aanbieding van voorhang ontwerpbesluit tot wijziging van het Luchthavenverkeerbesluit (LVB) Schiphol; Brief van de minister van I&W over de milieueffectrapportage luchthavenverkeerbesluit (LVB) Schiphol; Luchtvaartbeleid

Beslispunt

Wanneer wenst de commissie inbreng voor schriftelijk overleg te leveren?

Toelichting

Bij brief van 19 januari 2026 heeft de minister van I&W het ontwerpbesluit tot wijziging van het Luchthavenverkeerbesluit (LVB) Schiphol bij de Kamers voorgehangen. Het gaat om een algehele wijziging van het LVB. De voorhangtermijn bedraagt op grond van de Wet luchtvaart en de Algemene wet bestuursrecht zes weken. Het betreft een 'lichte' voorhang: de Kamer kan de gebruikelijke parlementaire controlemiddelen inzetten, maar niet afdwingen dat de materie bij wet wordt geregeld (wat bij een 'zware' voorhang het geval zou zijn).

Bij brief van 28 januari jl. heeft de commissie de voorhangtermijn van het ontwerpbesluit gestuit. De minister is verzocht geen onomkeerbare stappen te zetten totdat het overleg met deze Kamer is afgerond. In haar vergadering van 3 maart jl. heeft de commissie besloten de behandeling van het ontwerpbesluit aan te houden totdat het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage (Commissie mer) is ontvangen. De commissie besloot vervolgens op 31 maart jl. in meerderheid haar eerdere besluit te handhaven. Op 21 april hield zij een deskundigenbijeenkomst over de voorgenomen wijziging van het LVB (Verslag).

Het advies van de Commissie mer is op 15 mei jl. gepubliceerd en aan de Kamer aangeboden, eerst door de Commissie mer zelf en later - met een korte reactie - door de minister van I&W. De commissie kan dus een datum voor het leveren van inbreng voor schriftelijk overleg bepalen.


Bespreking stand van zaken en bepalen inbrengdatum

11.36915 XII, A

Brief van de staatssecretaris van I&W over een € 49-ticket per maand voor de trein en beroep op artikel 2.27 Comptabiliteitswet; Wijziging begrotingsstaten Infrastructuur en Waterstaat 2026 (Voorjaarsnota)

Beslispunten

Wenst de commissie de Kamer te adviseren zich deugdelijk geïnformeerd te achten in de zin van artikel 2.27, tweede lid, Comptabiliteitswet?

Toelichting

Op 23 april jl. heeft de Tweede Kamer de motie-Klaver c.s. aangenomen. Het dictum van deze motie luidt:

  • verzoekt de regering voorbereidingen te treffen voor een Nederlandticket voor trein, bus, tram en metro, waarmee reizigers in daluren onbeperkt kunnen reizen voor een vast bedrag per maand;
  • verzoekt de regering deze zomer een eerste stap te zetten met een ticket van € 49 per maand voor de trein voor een periode van drie maanden;
  • verzoekt de regering ter dekking te kijken naar ongebruikte middelen uit het Klimaatfonds en de IenW-begroting.

Bij brief van 22 mei informeert de staatssecretaris van I&W de Kamers over de uitvoering van deze motie. Over de financiële dekking van de uitvoering schrijft zij:

"Deze middelen worden vanuit de respectievelijke begrotingen middels nota’s van wijziging op de 1e suppletoire begrotingen van het Klimaat- en energiefonds en het Mobiliteitsfonds toegevoegd aan begrotingsartikel 16 van de beleidsbegroting van het ministerie van IenW. Van daaruit worden de middelen beschikt aan de NS, die vervolgens de verdere verrekening met de overige spoorvervoerders op zich neemt."

In dit geval kan volgens de staatssecretaris de aanvaarding van de begrotingen en begrotingswijzigingen door beide Kamers niet worden afgewacht. Er moet zo snel mogelijk een opdracht aan de NS worden verstrekt om het € 49-ticket per 21 juni aanstaande te kunnen invoeren. Om reeds geld te kunnen uitgeven doet de staatssecretaris een beroep op artikel 2.27, tweede lid, Comptabiliteitswet. Dit artikellid luidt:

  • 2. 
    Zolang een voorstel van wet tot wijziging van een begrotingsstaat niet tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt nieuw beleid dat ten grondslag ligt aan die wijziging, niet in uitvoering genomen, tenzij uitstel van de uitvoering naar het gemotiveerde oordeel van Onze Minister die het aangaat niet in het belang is van het Rijk en hij de Staten-Generaal daarover naar het onverwijlde oordeel van de Staten-Generaal deugdelijk heeft geïnformeerd.

Om uitgaven te kunnen doen dient de staatssecretaris dus te motiveren waarom het nieuwe beleid geen uitstel kan lijden. Dat doet zij in deze brief. De beide Kamers dienen vervolgens onverwijld - i.e. zo spoedig mogelijk - een oordeel te geven of de staatssecretaris hun deugedelijk heeft geïnformeerd. Dit vereist een plenaire uitspraak, op advies van de betrokken commissie. De commissie kan in deze vergadering haar advies aan de Eerste Kamer bepalen; de Kamer kan dan op 2 juni plenair een besluit nemen (hamerstuk of stemming).

NB. het oordeel van de Eerste Kamer betreft uitsluitend de vraag of zij zich deugdelijk geïnformeerd acht. De behandeling van de Wijziging begrotingsstaten Infrastructuur en Waterstaat 2026 (Voorjaarsnota) is pas aan de orde als dit wetsvoorstel door de Tweede Kamer is aanvaard.


Bespreking

12.Commissieagenda onderdeel VRO

13.36800 XXII

Begrotingsstaten Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening 2026

Beslispunt

Wenst de commissie:

  • een datum te bepalen voor het leveren van inbreng voor een tweede verslag?
  • het wetsvoorstel af te doen als hamerstuk of na stemming?
  • aan de Kamervoorzitter een datumvoorstel voor een plenair debat te doen?

Nadere procedure

14.T03804

Brief van de minister van VRO over ontwikkelingen van de koopwoningmarkt; Wijzigingswet Huisvestingswet 2014; Toezegging Evaluatie beperkingen eerste verkoop en betaalbaarheidsgrens (36.190)

Beslispunten

  • Wenst de commissie naar aanleiding van de brief van 12 mei met de minister van VRO in overleg te treden?
  • Kan de commissie instemmen met het ambtelijk advies over toezegging T03804?

Ambtelijke toelichting

Bij brief van 12 mei jl. informeert de minister van VRO de Kamer over de voortgang van een aantal lopende zaken die raken aan de betaalbaarheid en toegankelijkheid van de koopwoningmarkt en aanpalende ontwikkelingen binnen het woonbeleid. Op één punt is de brief voor de commissie rechtstreeks van belang, namelijk waar deze toezegging T03804 betreft. Zie p. 3 van de brief.

Inhoud toezegging: De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zegt de Kamer, naar aanleiding van vragen van de leden Janssen-van Helvoort (GroenLinks-PvdA) en Rietkerk (CDA), toe dat na drie jaar de beperking tot eerste verkoop en de beperking door de betaalbaarheidsgrens worden geëvalueerd.

Reactie minister: Eind 2025 heeft voor het eerst een dergelijk herijkingsmoment plaatsgevonden. Dit is reeds gecommuniceerd in een brief aan de Tweede Kamer op 8 oktober 2025. Met deze brief informeer ik hierover ook de Eerste Kamer conform de toezegging aan het lid Janssen-van Helvoort en Rietkerk. Bij de evaluatie is gekeken naar de ontwikkeling van de leenruimte van huishoudens met een inkomen van 2 keer modaal en de geïndexeerde betaalbaarheidsgrens.

Ambtelijk advies: De minister geeft aan dat de evaluatie heeft plaatsgevonden, maar heeft deze nooit naar de Eerste Kamer verstuurd. In de reactie schrijft de minister dat er is gekeken naar de leenruimte van huishoudens met een inkomen van 2 keer modaal en de geïndexeerde betaalbaarheidsgrens. De minister gaat echter niet in op de beperking tot de eerste verkoop waar de toezegging ook over gaat. Het ambtelijk advies is de toezegging als deels uitgevoerd te beschouwen en de minister te vragen de evaluatie alsnog naar de Eerste Kamer te versturen en daarnaast nog in te gaan op het evalueren van de beperking tot de eerste verkoop.


Bespreking brief en status toezegging


16.Rondvraag


17.Openstaande correspondentie

Ter herinnering: overzicht openstaande correspondentie

Overzicht openstaande correspondentie

Verzonden

Onderwerp

Reactietermijn

Toelichting

Verslagen

29 april 2026

Wet versterking regie volkshuisvesting (36.512) - tweede verslag

27 mei 2026

-

29 april 2026

Novelle Wet versterking regie volkshuisvesting (36.881) - verslag

27 mei 2026

-

Brieven

18 november 2025

Voorhang instructieregel permanente bewoning recreatiewoningen

16 december 2025

Aan de minister van VRO

  • Ambtelijk gerappeleerd op 1 april 2026; beantwoording volgt uiterlijk 1 juli 2026

3 februari 2026

Ontwikkelingen op de huurmarkt

3 maart 2026

Aan de minister van VRO

24 maart 2026

Kaderrichtlijn Water

21 april 2026

Aan minister van I&W

7 april 2026

Jaarverslag en stand van de uitvoering Toelatingsorganisatie Kwaliteitsborging Bouw (TloKB)

5 mei 2026

Aan de minister van VRO

Versie: 22 mei 2026