Verslag van de vergadering van 12 mei 2026 (2025/2026 nr. 28)
Status: gecorrigeerd
Aanvang: 17.06 uur
De heer Martens i (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Als je in een restaurant een kop soep geserveerd krijgt en er zit een vlieg in, vraag je dan om een nieuwe kop soep of eet je die, met vlieg en al in deze beeldspraak, gewoon op? Ik heb het natuurlijk over het volgende. Ons is vandaag een wet over chartaal betalingsverkeer voorgeschoteld die op zichzelf goed te aanvaarden is, maar aan die wet is een aan het onderwerp vreemd amendement toegevoegd dat de Nederlandse bonuswetgeving in hoge mate ontmantelt. Deze actie haalde het nieuws als de eerste gezamenlijke actie van de nieuwe minderheidscoalitie. Persoonlijk had ik te midden van de vele, vele vastgelopen dossiers een andere eerste symbolische daad gekozen. Maar goed, ik ga daar dan ook niet over.
Het toevoegen van amendementen aan wetsvoorstellen waarmee die materie inhoudelijk niets te maken heeft, staat op heel gespannen voet met het maken van deugdelijke wetgeving, want uitvoeringstoetsen ontbreken over de mogelijke gevolgen van het amendement voor toezicht, inhoudelijke voorbereiding ontbreekt over de effecten op het nemen van risico's in de financiële sector en ook openbare consultatie van onder anderen natuurlijk de belanghebbenden en deskundigen ontbreekt. Al het voorbereidende werk ziet namelijk op het eigenlijke onderwerp van chartaal betalingsverkeer. Ondanks dat het allebei met geld te maken heeft, staat het daar toch volledig van los. Het is dan ook niet voor niets een favoriete suggestie van handige lobbyisten, want we zien veel vaker dat het gebeurt, ook op fiscale dossiers. We hebben daar ieder jaar scherpe kritiek op met elkaar. Ingrijpende beleidsmaatregelen moet je zo niet nemen, omdat goede wetgeving en goed beleid domweg vragen om voorbereiding en een volwaardig parlementair proces.
Ik heb om die reden ook een vraag aan de minister, want veel blijft onduidelijk in de toelichting op het amendement. Kan de minister ons een goede uitleg geven van wat het amendement nu precies veroorzaakt? Wat blijft er over van het strenge Nederlandse bonusplafond, waarvan wij dus een voorstander zijn? Ik vraag dit zo, want er bleken voor mij in ieder geval twee grote verrassingen te zitten in de antwoorden op onze schriftelijke vragen. Het werkingsbereik van het amendement blijft niet beperkt, zoals in de toelichting van het amendement staat, maar blijkt enorm groot te zijn. Uit de beantwoording van de vragen kwam pas naar voren dat het Nederlandse bonusplafond nog slechts voor 2,5% van de werknemers van systeemrelevante financiële instellingen blijft gelden en voor 97,5% dus niet. Ik zou dat geen beperkt werkingsbereik noemen. Wist de minister dit? Waarom is het niet aan de orde gekomen bij de behandeling in de Tweede Kamer? Het lijkt mij een belangrijk gegeven. Wanneer je dat werkingsbereik heel eerlijk en reëel vergelijkt met mensen die ook daadwerkelijk een bonus krijgen — dat is natuurlijk niet iedereen; dat besef ik ook — gaat toch twee derde van de medewerkers onder het bonusplafond vandaan. Dat het een kleine ingreep zou zijn, is domweg niet waar.
Regeren is vooruitzien. Mag ik daaraan toevoegen dat wij moeten leren van in het verleden gemaakte fouten? Daarom roep ik graag in herinnering waarom Nederland deze strengere bonuswetgeving heeft sinds 2015. De financiële crisis in 2008 bracht vele economieën op de rand van de afgrond. De val van banken en financiële instellingen heeft miljarden aan belastinggeld gekost, doordat deze vanwege hun nutsfunctie en hun systeemfunctie gered moesten worden. De bezuinigingsagenda — dat zal de minister van Financiën kunnen herkennen — die daardoor noodzakelijk werd, heeft grote maatschappelijke gevolgen gehad. De bonuscultuur speelde een centrale rol in dit alles
In het Kamerdebat toentertijd, in 2015, waarbij het bonusplafond werd ingesteld, was er dan ook enorme eensgezindheid over dat bonussen een perverse prikkel in zich dragen. De winsten zijn individueel en privaat, terwijl de risico's worden gesocialiseerd en door alle Nederlanders collectief worden gedragen. Zo zei het CDA in die behandeling bijvoorbeeld: die werkwijze en cultuur willen wij nooit meer terug. Ik ben het met al deze woorden behoorlijk eens. D66 zei dat het bonusbeleid de oorzaak is van risicovol gedrag. Banken profiteerden zolang het goed ging en de overheid stond klaar als het fout ging. Zelfs de VVD — jazeker — was voor het wetsvoorstel en zei: falende bankiers moeten niet beloond worden en perverse prikkels moeten we zeker aanpakken. Dat is stevige taal; het is niet mijn stijl. Het wetsvoorstel werd vervolgens aangenomen met de steun van alle fracties hier aanwezig. Dat was nog maar in 2015, roep ik in herinnering. Dat ligt nu blijkbaar al heel anders.
Ik noem het niet om alleen maar te plagen, maar ook om aan te geven dat we de toen geleerde lessen nu niet moeten vergeten. Nu denken "ach, het gaat al zolang goed, dus laten we de maatregel maar afschaffen" is een klassieke fout. Het risico van kortetermijndenken en van het hebben van een cultuur van kortetermijndenken, aangevuurd door hoge bonussen, is tijdloos.
Ik moet nu een pas op de plaats maken in mijn verhaal om de framing die rond dit amendement is gemaakt te ontkrachten. Het ontmantelen van het Nederlandse bonusplafond is zeker niet alleen van toepassing op moeilijk werfbare ICT'ers. Onder excuuszegging: wie dat gelooft, is denk ik in een lobbyverhaal getrapt. Voor vrijwel iedereen, behalve dus een kleine kring van belangrijke medewerkers, wordt het Nederlandse bonusplafond afgeschaft met dit amendement.
Doen Nederlandse banken en financiële instellingen het dan slechter dan collega's elders in Europa? Nee, die stelling is onhoudbaar. Vergelijkend DNB-onderzoek uit 2022 — het zal niet veranderd zijn sindsdien — laat zien dat Nederlandse banken het zelfs beter deden dan andere financiële instellingen in de eurozone. Het argument dat onze financiële sector hier wegkwijnt, kunnen we rustig naar de prullenbak verwijzen. Zie ook de beurskoersen van onze systeembanken: die zijn sinds die tijd drie keer over de kop gegaan. Ook het hele idee dat je je werk alleen goed kan doen als je daar een variabele beloning voor krijgt, is wat mij betreft onzin.
Dan de tweede verrassing in de schriftelijke vragen over de uitvoerbaarheid. Uit de schriftelijke beantwoording blijkt dat de toezichthouders aangeven dat voor een forste categorie financiële instellingen zonder "identified staff"-begrip, zoals betaalinstellingen, financieel adviseurs en dergelijke, niet duidelijk is hoe het amendement uitgevoerd moet worden. Toezichthouders DNB en AFM geven aan zich af te vragen hoe zij de definitie van "identified staff" moeten toepassen op deze ondernemingen. De AFM wijst erop dat voor adviseurs, bemiddelaars en gevolmachtigd agenten — dat zijn 6.100 vergunninghouders, niet weinig — er duidelijke risico's ten aanzien van de handhaafbaarheid zijn. Ik heb daarover een vraag aan de minister als stelselverantwoordelijke. Wil de minister toezeggen de invoering van dit onderdeel van de voorliggende wet uit te stellen totdat de handhaving daarop gewaarborgd is?
De heer Kroon i (BBB):
Via de voorzitter heb ik de vraag voor de heer Martens hoe ik een opmerking van hem moet plaatsen. De heer Martens maakte een opmerking over dat mensen alleen maar beter hun werk doen of dat goed kunnen doen als ze een bonus krijgen. Kunt u nog eens toelichten wat u met die opmerking bedoelt?
De heer Martens (GroenLinks-PvdA):
Nou nee, ik zei het tegenovergestelde. Het is zeker niet zo dat je alleen je werk goed en gemotiveerd kan doen als je daarvoor een variabele beloning krijgt, een bonus.
De voorzitter:
De heer Kroon, met een vervolgvraag.
De heer Kroon (BBB):
Meneer Martens, erkent u de werkelijkheid in de samenleving dat bij het werven van mensen voor specifieke functies voor die mensen een totaal beloningspakket met vaste en variabele componenten, eventueel componenten in natura of het mogen pingpongen in de kantine, bepaalt of een beloningspakket passend is voor het werk dat men doet? Erkent u dat de discussie dus gaat over salarissen én variabele beloning en dat de discussie niet alleen gaat over de vraag of je je werk goed kunt doen als je een bonus krijgt?
De heer Martens (GroenLinks-PvdA):
Met alle begrip: ik ben helemaal niet zo geïnteresseerd in of op zoek naar een algemene discussie over hoe variabele beloningen werken. De wet zoals die nu is, biedt er ook al ruimte voor. Hier gaat het erom dat de lessen van de financiële crisis waren dat bonussen een cultuur van kortetermijndenken, risico's nemen en ook van hebzucht aanwakkerden. Tegenover dat soort zaken en in die context is deze wetgeving gemaakt. Een algemene beschouwing over beloningspakketten voegt hier weinig aan toe.
De voorzitter:
Tot slot, de heer Kroon.
De heer Kroon (BBB):
Met deze toevoeging brengt u het al een stuk genuanceerder en dat vind ik prettig voor het debat.
De voorzitter:
Dan vervolgt de heer Martens zijn betoog.
De heer Martens (GroenLinks-PvdA):
Ik word graag becomplimenteerd als "genuanceerd". Ik vervolg mijn betoog. Het verbaast mij dan om in het verslag van de Tweede Kamer te lezen dat de minister dit amendement positief heeft gepreadviseerd. Als hij knelpunten in de bonuswetgeving ziet, moet hij daar dan niet zelf goed voorbereid een onderbouwd wetsvoorstel voor indienen? Als stelselverantwoordelijke voor de financiële sector heeft hij een grote verantwoordelijkheid, ook voor de wetgevingskwaliteit met betrekking tot die sector, de uitvoerbaarheid en de handhaving. Ik constateer echter dat het lijkt alsof de minister vooral een ideologische toets van neoliberale aard op dit amendement heeft gedaan.
Het is natuurlijk waar dat Nederland met deze aanpassing ook weer deels terugvalt op het Europese bonusbeleid. Dat bestaat en dat betwist ik ook niet. Maar de bijl is aan de wortel gelegd. De valse logica dat 95%, of 97,5%, van het bankpersoneel beter gaat presteren als men een hoge bonus krijgt, zal natuurlijk vervolgens toegepast worden op die laatste paar procenten. Dat zal dus een volgend focuspunt worden van een krachtige lobby. Het Europese bonusplafond lijkt dan ook inderdaad nu al ter discussie te staan. Dat is opgenomen in een Europese consultatie over de concurrentiekracht van de bankensector. Ik vraag dus aan de minister of hij kan aangeven welke positie Nederland hierbij zal innemen. Zal Nederland zich inzetten voor het behoud van de huidige systematiek of juist voor een versoepeling daarvan?
Als er redenen worden gezien om het Nederlandse bonusbeleid te herzien, bijvoorbeeld omdat een variabele component inherent verbonden is aan start-ups en scale-ups — ik zie dat ook wel — dan moeten we daarnaar kijken. Wij hebben daartoe alle bereidheid, maar laten we niet het tapijt wegtrekken onder het hele bonusbeleid, dat veel breder is en goed werkt.
Wat moeten we met dit dubbele wetsvoorstel? De voorgestelde maatregelen binnen het betalingsverkeer zijn belangrijk, maar er lijkt geen sprake te zijn van een fatale einddatum. Mijn fractie vraagt de minister daarom om zijn rol te spelen in het tot stand brengen van kwalitatief goede wetgeving en dit wetsvoorstel te splitsen en apart opnieuw in te dienen, zodat ook aanpassingen aan het Nederlandse bonusplafond een deugdelijke parlementaire behandeling krijgen. Wij kunnen dan met een gerust hart voor het ene stemmen en kritisch en beter voorbereid naar het andere kijken, gericht op daadwerkelijke knelpunten en zonder de in de bankencrisis geleerde lessen te vergeten.
Hiermee sluit ik mijn eerste termijn af.
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Kroon u toch nog een vraag wil stellen. Ik geef u daarvoor de gelegenheid, meneer Kroon.
De heer Kroon (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik ben lichtelijk verbaasd. We hebben namelijk een debat over de Wet chartaal betalingsverkeer, met inderdaad een amendement over het bonusplafond. Ik hoor meneer Martens eigenlijk over de hele wet geen vraag stellen. Is die wet dan zodanig goed, met alle amendementen die daar ook in gekomen zijn, dat u die wet apprecieert als voldoende?
De heer Martens (GroenLinks-PvdA):
Ik kan die vraag niet goed plaatsen. Het is volkomen gangbaar en ook begrijpelijk om je te focussen op de onderwerpen die politieke aandacht vragen. Ik denk dat ik niemand er een plezier mee zou doen als ik nog drie kwartier aan het woord blijf over een wet die we wel enigszins kunnen steunen. Dat doen we bij hamerstukken namelijk ook niet.
De voorzitter:
Dank u zeer, meneer Martens. Het is inderdaad goed dat u nu niet nog drie kwartier doorgaat, want u hebt uw bijdrage geleverd. Dank daarvoor. De volgende spreker van de kant van de Kamer is de heer Van Apeldoorn. Hij spreekt namens de Socialistische Partij en mede namens de Partij voor de Dieren.
Terwijl hij zich naar het spreekgestoelte begeeft, meld ik u nog even dat in overleg met de woordvoerders besloten is om het debat in één keer te voeren. We zullen dus niet schorsen voor de dinerpauze. We gaan moedig voorwaarts en zullen de hele behandeling afronden. Wel hangt dat natuurlijk voor een klein deel af van het aantal interrupties. We gaan nu verder met het debat.
Zoals ik al aankondigde, geef ik het woord aan de heer Van Apeldoorn.