De Eerste Kamer heeft dinsdag 26 mei verder gedebatteerd over de eigen ontwerp-Gedragscode ongewenste omgangsvormen. Het debat was op 21 april begonnen met de vragen van de Kamer aan het College van Voorzitter en Ondervoorzitters (CVO). Eerste Kamervoorzitter Mei Li Vos beantwoordde die vragen namens het CVO. In de tweede termijn van de Kamer die daarop volgde, zijn drie amendementen ingediend. De Kamer stemt dinsdag 2 juni over de gedragscode en de amendementen.
De gedragscode is voorgesteld door het College van Voorzitter en Ondervoorzitters (CVO) en volgt uit de herziening van het Reglement van Orde van de Eerste Kamer in 2023. In de voorgestelde code staan de gedragingen van Kamerleden onderling centraal, maar ook tegenover medewerkers en gasten. Het gaat erom ongewenste gedragingen tegen te gaan en te voorkomen.
De voorgestelde code zorgt er bovendien voor dat personen die menen met ongewenst gedrag door Kamerleden te maken te hebben (gehad), hierover een melding kunnen doen bij een vertrouwenspersoon. Ook kunnen zij hierover een klacht indienen bij een onafhankelijke klachtencommissie. De klachtenprocedure is zo ingericht dat klager en beklaagde zoveel als mogelijk dezelfde rechten en plichten hebben. Anonieme klachten zijn niet mogelijk en de procedures zijn vertrouwelijk.
>naar het dossier
Eerste Kamervoorzitter Vos sprak als voorzitter van het College van Voorzitter en Ondervoorzitters. Ze zei dat ongewenst gedrag veel breder is dan strafbaar gedrag. Tot nu toe is het niet mogelijk om Kamerleden aan te spreken op hun gedrag. Dat lijkt iets kleins of vanzelfsprekends, zei Vos, maar voor een medewerker die in een hiërarchische verhouding staat tot een Kamerlid is het groot en niet vanzelfsprekend.
Niet lichtvaardig gebruiken
Alles begint met preventie, bewustwording en bespreekbaarheid. Het systeem van de Gedragscode leidt niet automatisch tot een formeel traject. De vertrouwenspersoon heeft eerst andere mogelijkheden. Bovendien nodigt het systeem niet uit tot lichtvaardig gebruik, betoogde zij. Vos waarschuwde ervoor de conclusie te trekken dat een gang naar de klachtencommissie voorop staat en dat preventie, bewustwording en bespreekbaarheid bijzaken zijn. Ook bij behandeling door de klachtencommissie is bemiddeling nog mogelijk. De klachtencommissie is het sluitstuk, niet het beginpunt.
Inwerkingtreding nog dit jaar
Er zal geen onderzoek worden gedaan naar meldingen uit het verleden. Het beleid is erop gericht om ongewenste omgangsvormen te voorkomen. Dat zal gebeuren door bekendheid te geven aan de gedragscode. Preventie gebeurt door het creëren van een open cultuur, waarin elkaar aanspreken op gedrag centraal stond. Het is de bedoeling om de gedragscode zo snel mogelijk in werking te laten treden, bij voorkeur in 2026, zei Vos.
Maatregelen
De procedure van de behandeling van een melding is vertrouwelijk. Een maatregel kan zijn dat er geen contact meer mag zijn tussen de klager en beklaagde. Eerst een melding bij de vertrouwenspersoon en als het dan niet onderling kan worden opgelost naar de klachtencommissie. Een berisping is een verwijtend oordeel, een waarschuwing een zakelijk oordeel. Als er eenmaal een klacht ligt, kan alleen de klager de klacht intrekken, maar zowel de klager als de beklaagde kunnen alsnog vragen de procedure voort te zetten. Bij herhaling van klachten tegen een Kamerlid zou bij de sanctionering rekening kunnen worden geworden met deze herhaling, aldus Vos.
Senator Fiers (GroenLinks-PvdA) was na de beantwoording door het CVO nog op zoek naar hoe de Kamer kan leren van de vraagstukken die spelen, als ze vertrouwelijk worden gerapporteerd aan het CVO. Voorzitter Vos zei de klachtencommissie inhoudelijk in kan gaan op knelpunten, daar kan de Kamer van leren. Fiers zei verder dat de drempel om te melden hoog kan blijven. Stel dat er één melding wordt gedaan bij de vertrouwenspersoon, maar uit het Preventief Medisch Onderzoek (PMO) onder de griffie blijkt dat dat vaker was. Kan in het PMO dan wat meer uitgevraagd worden, zoals of is gelukt de drempel te verlagen met deze gedragscode? Vos zegde toe dat de vraag in een volgend onderzoek wordt opgenomen.
Senator Van Hattem (PVV) zei dat aangesproken worden iets anders is dan aangeklaagd worden. Hoe verhouden aangesproken worden en een goed gesprek aan de ene kant zich tot ultieme sancties aan de andere kant. In hoeverre is het proportioneel als het aantal meldingen op een hand te tellen is? Ook haalde hij Vos aan die zei dat de gedragscode aansluit bij het arbeidsrecht. Maar, zo zei Van Hattem, de toepassing is breder omdat het ook om gasten van de Kamer gaat. Zij hebben geen arbeidsrechtelijke relatie. Vos antwoordde dat het arbeidsrecht uitgaat van medewerkers met een werkgever, maar dat die relatie niet bestaat in de Kamer. Daarom bevat deze gedragscode ook arbeidsrechtelijke begrippen, aldus de Voorzitter.
Senator Schalk (SGP) is voorstander van een gedragscode om te voorkomen dat Kamerleden vogelvrij verklaard worden. Het is hem duidelijk geworden dat met de gedragscode de belangen van zowel de klager als de beklaagde worden beschermd. Dat was wel pas ná dit debat, zei hij. Hij vroeg daarom of de tekst van de gedragscode voldoende duidelijk is. Kan het zijn dat sommige begrippen toegelicht moeten worden? De gedragscode is een levend document. Vos bevestigde dit. Ze zei dat als de Kamer hiermee instemt, het CVO aan de slag gaat met beleid.
Senator Van Bijsterveld (JA21) vond dat het bij een volwassen organisatie hoort om een gedragscode ongewenste omgangsvormen te hebben. Wel keek zij naar de uitvoering. De klachtencommissie moet echt het eindstation zijn. Ze noemde de rol van de vertrouwenspersoon in het faciliteren van het goede gesprek 'cruciaal'. Alles staat of valt met preventie, zoals werken aan weerbaarheid in onderlinge omgangsvormen in plaats van slachtofferschap. Van Bijsterveld zou dit graag uitgewerkt zien in het flankerend beleid. Vos antwoordde dat werken aan weerbaarheid inderdaad belangrijk is: 'Dus ja, dat gaan we doen.'
Senator Van Aelst (SP) vroeg of standaard in het Preventief Medisch Onderzoek (PMO) kan worden meegenomen hoe de verhouding met de Kamerleden is, ook om te zien hoeveel klachten bij de vertrouwenspersoon binnenkomen en hoeveel medewerkers ongewenste omgangsvormen ervaren. Vos zei dat dit wordt toegevoegd in het volgende PMO. Ze voegde eraan toe dat deze ontwerp-gedragscode is voorgelegd aan de Ondernemingsraad van de Eerste Kamergriffie. Ook heeft een aantal griffiemedewerkers meegeschreven.
Senator Van Hattem diende drie amendementen in. Twee amendementen gaan over het eerste artikel van de conceptgedragscode. Artikel 1 gaat over de begripsbepalingen. Het derde amendement wil de procedure via de klachtencommissie uit de gedragscode halen. Het CVO ontraadde de amendementen. De amendementen worden nog juridisch getoetst en zullen dan op de website van de Eerste Kamer worden gepubliceerd.
GroenLinks-PvdA: Voorstander, maar code alleen niet genoeg
Senator Fiers (GroenLinks-PvdA) sprak mede namens Volt, ChristenUnie, D66, PvdD en OPNL. Ze haalde onderzoek aan waaruit blijkt dat jaarlijks 17% van de Nederlandse werknemers ongewenste omgangsvormen op de werkvloer ervaart. 'We hebben allemaal een verantwoordelijkheid om ongewenste omgangsvormen bespreekbaar te maken,' zei Fiers. Ze was daarom positief gestemd dat er een voorstel voor een gedragscode voorligt. Ze vroeg of bekend is wat de omvang van ongewenst gedrag is in de Eerste Kamer. Hoe vaak komt het voor? Fiers zei dat het belangrijk is om te realiseren wat factoren zijn die ongewenste omgangsvormen veroorzaken, zoals de bijzondere positie van Kamerleden. Zou onderzoek kunnen worden gedaan naar de situatie in de Eerste Kamer? Ze is het ermee eens dat het CVO de omgangsvormen niet wil juridiseren, het is een hulpmiddel als iemand geen andere mogelijkheden ziet om ongewenst gedrag van een Kamerlid aan de orde te stellen. Fiers is voorstander van een gedragscode, maar een code alleen is niet genoeg. Om succesvol te zijn, is de bedrijfscultuur doorslaggevend.
PVV: Daadwerkelijk ontoelaatbaar gedrag aanpakken
Senator Van Hattem zei dat zijn fractie moeite heeft met de invulling van de Gedragscode ongewenste omgangsvormen. De fractie is geen voorstander van de gedragscode, maar het Reglement van Orde schrijft het voor. In deze vorm is volgens Van Hattem niet specifiek genoeg gemaakt wat 'ongewenst' is. Men kan zich te snel gekwetst voelen. Hij is wel voorstander van het aanpakken van daadwerkelijk ontoelaatbare gedragingen. Het lastige is dat het in deze gedragscode moeilijk is een grens te trekken tussen wat al strafbaar is en wat niet. Van Hattem wil voorkomen dat het CVO een rechtbank wordt. Een niet-strafbare gedraging moet volgens hem niet worden onderworpen aan maatregelen of consequenties die een bestraffend karakter hebben. Een ongewenste niet-strafbare gedraging hoort dus niet te worden gesanctioneerd , omdat de strafbaarheid ontbreekt. Daarmee is er dus ook geen rechtsnorm geschonden. Hij had verder vragen over het gebruik van het woord 'schuldig'. Het CVO stelt dat dit niet naar het strafrechtelijke begrip verwijst. In dat geval is het beter een ander begrip te kiezen, zei van Hattem. Hij vroeg of indirecte gevallen uitgesloten zijn van deze gedragscode. Ook wilde hij weten hoe machtsverschillen en afhankelijkheden concreet worden bepaald. Tot slot vroeg hij hoe het CVO omgaat met het risico van manipulatie, bijvoorbeeld door AI.
SGP: Eenzame positie niet wenselijk
Senator Schalk zei dat de kwetsbaarheid van klagers en beklaagden tot zorgvuldigheid noopt. Dat is met de schriftelijke vragenrondes gebeurd. Hij vroeg of het niet vreemd is dat er eerst een melding moet worden gedaan bij de vertrouwenspersoon. Brengen we die niet in een onmogelijke positie als de beklaagde ook bij de vertrouwenspersoon terecht moet kunnen? Het is volgens hem cruciaal dat de melder schriftelijk toestemming moet geven om diens identiteit bekend te maken, een anonieme klacht is niet mogelijk. Biedt artikel 26 voldoende rechtszekerheid voor beide betrokkenen? Ook wees hij artikel 18 in samenhang met artikel 21: het onderscheid tussen een waarschuwing en een berisping. Na vragen hierover heeft het CVO een derde mogelijkheid toegevoegd (onderscheid tussen vertrouwelijke en openbare berisping). Zijn de criteria daarvoor voldoende duidelijk gemaakt? De hele gedragscode ademt voorzichtigheid, geheimhouding en beslotenheid, maar een Kamerlid dat wil klagen of dat beklaagd wordt, zit in een soort eenzame positie. Bij wie kun je nog terecht als in artikel 24, lid 1 staat dat je over niets mag communiceren anders dan met je raadsman? Je moet toch kunnen overleggen met bijvoorbeeld je fractievoorzitter. Bij de SGP zouden we in strijd met onze eigen integriteitscode handelen, aldus Schalk.
JA21: Aan voorkant duidelijk filteren
Senator Van Bijsterveld vreest dat situaties al in een vroeg stadium groot zouden kunnen worden gemaakt. De gedragscode is bedoeld als laagdrempelig. Daarom pleit zij voor een duidelijk filter aan de voorkant. Is formele melding wel echt noodzakelijk? In de praktijk is gebleken dat een formeel traject veel schade toebrengt. Triage aan de voorkant zou dat kunnen voorkomen. De ervaring leert dat een klachtenprocedure zelf zelden iets oplost. Persoonlijke problematiek kan een rol spelen. Niet elke klacht is primair gericht op het corrigeren van ongewenst gedrag. Het kan ook gebruikt worden om druk uit te oefenen. Gaan we uit van snelle formalisering of kiezen we voor de-escalatie en zorgvuldige weging aan de voorkant? De insteek van JA21 is: richt triage in, zet bemiddeling voorop en gebruik de formele klachtenprocedure echt alleen wanneer dat noodzakelijk is. Werk aan weerbaarheid in plaats van slachtofferschap te creëren, besloot Van Bijsterveld.
SP: Bescherming beklaagde waarborgen
Senator Van Aelst sprak mede namens de Fractie-Visseren-Hamakers. Ze haalde aan dat het initiatief voor de gedragscode is genomen door de Kamer zelf. Met elkaar afspraken maken is een goede stap, mits goed gewaarborgd en met nalevingsbereidheid door de leden, zei zij. Haar grootste zorg is niet wat wordt opgeschreven of afgesproken, maar óf ook echt iets wordt afgesproken. Een gedragscode werkt namelijk bij de gratie van leden en fracties die zich aanspreekbaar opstellen, bij de gratie van gezag en onderlinge afspraken, bij het accepteren van aangesproken worden en bij de bereidheid om uiteindelijk je gedrag te verbeteren, aldus Van Aelst. Ze heeft ook zorgen over de mogelijkheid tot het opleggen van sancties. Melding van ongewenste omgangsvormen kan ook een politiek wapen zijn. Welke waarborgen zijn er om diegene te beschermen over wie een melding wordt gedaan? En komt er een moment dat ze toch in de openbaarheid komen? Op welke wijze wordt geheimhouding gehandhaafd of komt dat toch, eventueel jaren later, toch naar buiten? De klachtencommissie gaat niet over wat er in een openbare vergadering is gebeurd. Bij wie kan een Kamerlid dan terecht als daar sprake is van ongewenste omgangsvormen, vroeg Van Aelst.