Plenair Martens bij behandeling Begrotingen Defensie en Defensiematerieelbegrotingsfonds 2026



Verslag van de vergadering van 29 juni 2026 (2025/2026 nr. 36)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 18.31 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Martens i (GroenLinks-PvdA):

Voorzitter, dank u wel. Welkom aan de bewindspersonen.

We hebben het vandaag over hogere defensie-uitgaven en die zijn een onvermijdelijkheid. Ik geef het ook liever uit aan onderwijs, maar de dreiging die uitgaat van autoritaire regimes, zoals voornamelijk de Russische Federatie, is nou eenmaal niet te ontkennen. En de afhankelijkheid van de Verenigde Staten moet worden afgebouwd. Europa staat dus voor een fundamentele veiligheidsopgave en dat is nu eenmaal kostbaar.

Echter, goed geld uitgeven is moeilijk. Een toename van de Defensiebegroting van 10 miljard in 2020 naar bijna 40 miljard in 2030 moet heel goed gemanaged en gecontroleerd worden om te voorkomen dat we te maken krijgen met verspilling of zelfs misstanden. Scherpe parlementaire controle is dus essentieel. De relevante vraag hierbij is niet of we voldoende uitgeven om de NAVO-norm te halen. De echte vraag is of Nederland hier weerbaarder van wordt. Of eigenlijk: wordt Europa hier weerbaarder van? Kunnen we ons zelfstandig verweren tegen Russische agressie en worden we daarbij echt minder afhankelijk van de Verenigde Staten?

Voorzitter. Mijn fractie wil deze begroting dus langs drie lijnen beoordelen: onafhankelijkheid, begrotingsdiscipline en Europese samenwerking. Allereerst de onafhankelijkheid. De afgelopen jaren hebben pijnlijk duidelijk gemaakt hoe afhankelijk Europa van de Verenigde Staten is. Ons recente werkbezoek aan de NAVO maakte duidelijk dat de Europese afhankelijkheid speelt in bijvoorbeeld de domeinen inlichtingen, strategisch transport, luchtverdediging, satellietcapaciteit, commandovoering, software en ook reserveonderdelen. Dat is geen theoretisch probleem meer. De Amerikaanse betrokkenheid bij de Europese veiligheid is door de Verenigde Staten zelf namelijk minder vanzelfsprekend gemaakt door bizarre uitspraken, bijvoorbeeld in de Groenlandsituatie.

Minder dan 20% van de Nederlanders beschouwt de Verenigde Staten nog als een bondgenoot, zo blijkt uit recent Clingendaelonderzoek. Dat cijfer weerspiegelt een realiteit die er gewoon is. Daarom moet Europa op eigen benen kunnen staan. Ja, binnen de NAVO, maar niet weerloos als Washington niet thuis geeft. Europa moet dat doen als een autonome en onafhankelijke speler. Mijn vraag aan de regering is daarom: welk afbouwpad is er voor het terugbrengen van afhankelijkheden tot een acceptabel niveau? Wanneer is er bijvoorbeeld sprake van een wederzijdse balans in die afhankelijkheden? En waar mogen we de regering op afrekenen bij dit onderwerp?

Algemene woorden over strategische autonomie zijn niet genoeg. Als de Amerikanen morgen zeggen "dit leveren wij niet meer" of "dit mag u niet gebruiken", waar staan wij dan? Wat kunnen we dan nog? Als we dat niet op hoofdlijnen kunnen schetsen, zoals we hier bij elkaar zijn in dit debat, dan lopen we het risico dat de mega-investeringen die we vandaag doen, morgen onvoldoende aansluiten bij wat nodig is.

Een ander punt wat betreft de autonomie betreft wapenaankopen uit Israël. De aankoop van wapensystemen creëert nu eenmaal een bepaalde afhankelijkheid en die wil je alleen hebben met landen waar je in hoge mate waarden mee deelt. De tijd dat Europa en Israël dezelfde democratische waarden koesterden, lijkt ver voorbij. Dat betekent dus dat het onwenselijk is om wapens in Israël te kopen en vice versa. Stoppen is nodig. We moeten in ieder geval geen nieuwe afhankelijkheden creëren. Mijn vraag aan de regering is of zij het perspectief dat ik nu schets, deelt.

De Europese samenwerking. Europa geeft gezamenlijk nu al enorme bedragen uit aan defensie, meer dan Rusland en meer dan China, zeker straks. 3,5% bbp is namelijk 850 miljard euro. Maar wij krijgen daar per euro veel minder militaire capaciteit en veel minder weerbaarheid voor terug dan Rusland of China, omdat we nog steeds fundamenteel versnipperd zijn. Huiselijk gezegd: 26 kleine legers die alles een beetje willen kunnen. Dat model is onhoudbaar. De keuze daarbij is niet tussen nationale defensie of Europese defensie. De nationale legers blijven altijd bestaan, maar op veel terreinen zou je het Europees moeten doen. Je moet niet alleen goed samenwerken, maar één niveau diepgaander: het daadwerkelijk samen doen. Europese integratie! Als we de komende jaren tientallen miljarden extra gaan uitgeven in Nederland, zonder het Europees fragmentatieprobleem aan te pakken en te verminderen, organiseren we dure inefficiëntie, wordt het onbetaalbaar en zal het ook met het draagvlak snel gedaan zijn.

Wat vraagt mijn fractie dus van het kabinet? Mijn fractie wil dat de regering scherp kiest voor Europese onafhankelijkheid en een Europese pijler binnen de NAVO. Niet als Brusselse abstractie, maar juist heel praktisch. Denk dan vooral aan domeinen die gedomineerd worden door schaalvoordelen, zoals gezamenlijke luchtraketverdediging en gezamenlijke satellietcapaciteit. AI kwam al naar voren, want ik heb het net ook al genoemd. Dat zijn belangrijke voorbeelden van domeinen waarin afzonderlijke landen te klein zijn en waar een gezamenlijke Europese schaal nodig is. Die kant moeten we op, zonder vals sentiment over vroeger en zonder de handrem erop, want anders dreigt massale geldverspilling door inefficiëntie.

Mijn fractie vraagt zich daarbij af waar het kabinet nu eigenlijk op inzet. In de recent gepubliceerde internationale veiligheidsstrategie zegt het kabinet, kort gezegd: Europa moet snel minder afhankelijk worden van de VS. Dat waren de koppen. Dat staat erin. Het regeerakkoord spreekt ook in die taal, maar de minister van Defensie spreekt afwijkende taal. Afgelopen vrijdag in Café Kockelmann zei de minister nog: "Onafhankelijkheid is niet het doel". De Defensienota die vandaag gepubliceerd is, ademt diezelfde sfeer. Dus mijn vraag is — ik wil de bewindspersonen graag de gelegenheid geven om het vandaag heel duidelijk te zeggen — hoe zit dat dan nu? Werkt het kabinet aan Europese autonomie ten opzichte van de Verenigde Staten, of niet? Kunnen we hier vandaag duidelijke taal over spreken? Hopelijk belanden we niet in woordendiscussies in die zin dat absolute onafhankelijkheid natuurlijk niet bestaat en niet bereikt kan worden.

Een ander punt hierover. Het was altijd de regel dat het parlement eerst geïnformeerd wordt over nieuw beleid en daarna pas de pers. Dat ís de regel, moet ik zeggen. Moet de minister wel in talkshows gaan praten over de Defensienota voordat deze naar het parlement is gestuurd? Deze gedragsregels zijn er niet voor niets. Ze zijn er, zodat het parlement zijn controlerende taak naar behoren kan vervullen. Ik zit er persoonlijk als parlementariër niet op te wachten dat ik naar Café Kockelmann moet kijken om te weten te komen hoe de minister 40 miljard publiek geld per jaar wil uitgeven. Ik vraag daarom ook — misschien zie ik het verkeerd — of de minister deelt wat ik net zei, namelijk dat de regel is: eerst het parlement informeren en dan pas de media.

Terug naar samenwerking. De regering noemt qua samenwerking al expliciet de doelen van 40% gezamenlijke aanschaf en minstens 5% aanschaf in Nederland of Europa. Maar de kernvraag is wat mij betreft wat "Europees" hier eigenlijk betekent. Telt Amerikaanse technologie die onder licentie in Europa wordt geassembleerd, als Europees? Tellen systemen mee waarvan de software, reserveonderdelen en inzet afhankelijk blijven van een niet-Europees moederbedrijf of exportregime? Mijn fractie vindt dat we onszelf hierin niet snel rijk moeten rekenen. Een Europees label plakken op een niet-Europees systeem is geen strategische autonomie.

Daarom vraag ik de bewindspersonen om een heldere toezegging om vanaf de volgende Stand van Defensie jaarlijks helder te rapporteren over drie categorieën. Eén: volledig Europese systemen, dus zonder beslissende niet-Europese afhankelijkheid. Twee: Europese licentieproductie van niet-Europese systemen en drie, niet Europese inkoop. Alleen dan kan het parlement volgen en controleren of deze doelen daadwerkelijk bijdragen aan minder afhankelijkheid.

Dan begrotingsdiscipline, mijn derde punt. Defensie krijgt de komende jaren een van de grootste publieke investeringsopgaves ooit. Dat vraagt niet om een vrijbrief, maar juist om adequate controle. Defensie wordt niet sterker van minder sterke controle. Defensie wordt sterker als de checks-and-balances op orde zijn. Wie draagvlak wil voor hogere defensie-uitgaven, moet kunnen laten zien dat publiek geld nuttig en zorgvuldig wordt besteed. De Algemene Rekenkamer heeft zoals bekend stevige kritiek geuit. Er zijn ernstige onvolkomenheden en fouten en onzekerheden in verplichtingen rond aanbesteding munitiebeheer, vastgoedbeheer, IT en objectbeveiliging. Misschien nog het meest zorgelijk: de Rekenkamer constateert dat een adequaat fraude- en corruptiebeleid ontbreekt. Daarom vraag ik aan de minister: erkent zij inmiddels volledig dat de bevindingen van de Rekenkamer niet slechts administratieve onvolkomenheden zijn, zoals de eerste reactie was, maar dat die raken aan de kracht van de organisatie en heel fundamenteel aan het draagvlak voor defensie-uitgaven? Kan zij toezeggen om per onvolkomenheid met een concrete planning of meetbaar resultaat naar de Kamer te komen? Naar het parlement te komen, moet ik zeggen.

Een ander Rekenkamerpunt speelde bij hybride dreiging op de Noordzee. Daar is eerder over gepubliceerd. Hierover zegt de Rekenkamer om kort te gaan dat vragen over wie de leiding heeft over een bepaald informatieknelpunt niet goed beantwoord zijn. Dat leest als een ouderwetse competentiestrijd en ik denk dat we ons die niet kunnen veroorloven, gezien de dreiging die er bestaat. Trek dit vlot, zou ik tegen het kabinet zeggen.

Al deze punten die ik noemde zijn voor het draagvlak essentieel. Hoe politiek gereageerd wordt op dergelijke kritiek, is qua signaalwaarde van groot belang. Ik kan er dan ook niet omheen om te benoemen dat vluchten van €180.000 en €90.000 per stuk het verkeerde signaal geven en slecht zijn voor het draagvlak. Clingendaelonderzoek van deze week laat zien dat bijna de helft van de Nederlanders — en dat is zorgelijk — er geen vertrouwen in heeft dat het extra defensiegeld goed wordt besteed. Dat kun je in mijn ogen hier niet los van zien, in alle eerlijkheid. Kan de minister ons verzekeren dat dit soort excessief dure vluchten tot het verleden behoren?

Dan een punt over maatschappelijke weerbaarheid. Weerbaarheid is natuurlijk niet alleen militaire weerbaarheid, maar ook maatschappelijke weerbaarheid. Op één been kun je niet lopen, dus beide zijn ook complementair aan elkaar. Dat begint heel fundamenteel met een sterke samenleving. Het financieren van hogere defensie-uitgaven met een afbraak van de sociale zekerheid is voor mijn fractie — voor mijn partij, kan ik wel zeggen — echt een no-go. Ook de zogenoemde vrijheidsbijdrage voornamelijk heffen via een verhoging van de inkomstenbelasting is geen goed idee. Daar wordt al steeds naar gekeken en mensen zijn dat ook zat. Dat blijkt ook uit hetzelfde Clingendaelonderzoek. Met het draagvlak zal het ook snel gedaan zijn als we het zo gaan doen. Mijn partij zal zich daartegen blijven verzetten.

Dan de praktische kant van de maatschappelijke weerbaarheid. Het kabinet is daar al goed mee bezig en zet in op de versterking hiervan, onder meer via een landelijk netwerk van noodsteunpunten, waarbij veiligheidsregio's en gemeenten regionaal invulling geven aan deze opgave. VNG en gemeenten zijn hier al druk mee bezig, ook breder — ik verwijs naar de Handreiking weerbaarheid en veerkracht op lokaal niveau — maar hebben te maken met onduidelijkheid over de financiering ervan. Het voelt voor mijn fractie niet logisch om op één heel sterk been en één heel dun been te lopen. Daarom mijn vraag: werkt het kabinet al goed samen met gemeenten en de VNG om de nuttige punten te realiseren uit hun Handreiking weerbaarheid en veerkracht op lokaal niveau? Gaat het kabinet met een plan komen om de knelpunten die de gemeenten constateren te adresseren? Ik snap ook dat niet alles kan.

Voorzitter, tot slot. Een sterke krijgsmacht ontstaat niet louter door meer geld naar Defensie te brengen. Die ontstaat door scherpe keuzes vanuit een juiste visie op de toekomst, Europese integratie, minder strategische afhankelijkheid, betere bedrijfsvoering en stevige democratische controle. De keuzes die we nu maken, moeten passen in die onvermijdelijke Europese toekomst. Anders gaan we onbedoeld heel veel publiek geld verspillen, zonder dat we daar adequate weerbaarheid voor kopen. Dan bouwen we, huiselijk gezegd, aan 26 dure miniatuurlegers in plaats van te bouwen aan een kostenefficiënte Europese weerbaarheid.

Tot slot breng ik vanaf deze plek een groet en een woord van dank aan alle mannen en vrouwen in uniform. Ik zie uit naar de beantwoording.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Hartog, die spreekt namens Volt en de Fractie-Van de Sanden.