Plenair Van der Goot bij voortzetting behandeling Algemene Politieke Beschouwingen



Verslag van de vergadering van 6 oktober 2026 (2026/2027 nr. 03)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 16.31 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Van der Goot i (OPNL):

Voorzitter. Welkom aan de minister-president en zijn ministersploeg. Mijn collega's in de Eerste Kamer zijn al lang vertrouwd met OPNL, maar misschien geldt dat niet voor alle kabinetsleden. Daarom geef ik een korte introductie.

OPNL is een platform van provinciale partijen die op dit moment twee gedeputeerden hebben, één in Noord-Brabant en één in Friesland. Daarnaast zijn er negentien Statenleden in zeven provincies. Deze achtergrond verklaart, denk ik, waarom OPNL staat voor de kracht van de regio. Dat sluit goed aan bij het coalitieakkoord van dit kabinet. Op dat regioaspect van het coalitieakkoord wil ik vandaag dan ook graag nader ingaan.

Voorzitter. In mijn bijdrage zal ik stilstaan bij een tweetal thema's, allereerst bij "Elke regio telt!" en het instrument van wetgeving, en ten tweede bij mijnbouw en het belang van een goede schadeafwikkeling.

Niet langer tegenover elkaar staan, maar eendrachtig samenwerken, is kort gezegd waar de coalitie van D66, CDA en VVD voor staat in relatie tot de regio's. In het coalitieakkoord Aan de slag buitelen de goede voornemens op dat vlak over elkaar heen, zoals eerder dit jaar in Binnenlands Bestuur te lezen was. Het regent regionale agenda's, regionale oplossingen en steunen op regionale kennis en kunde bij de aanpak van regionale uitdagingen. De regionale uitdagingen vragen om regionale oplossingen, vindt het kabinet. Er moet een goede regionale mix komen voor wat betreft het aanbod van onderwijs, de regionale en lokale omroepen moeten worden versterkt en we moeten zorgen voor meer regionale bereikbaarheid.

Dat regionale uitdagingen om regionale oplossingen vragen, weten we al langer. Wetenschappers, beleidsmakers en maatschappelijke organisaties bepleiten dat al jaren. Het rapport Elke regio telt! bracht die boodschap helder over. Het toenmalige kabinet beloofde daarop onder meer anders te gaan investeren. In de Voorjaarsnota moet duidelijk worden gemaakt hoe het kabinet die belofte waarmaakt. Wat gaat het daarvoor doen en welk geld trekt het daarvoor uit? Die praktijk is in de afgelopen jaren ook ontstaan.

Anders investeren zien we ook terug in het voorstel voor de Wet toekomstbestendige financiering mbo, dat nu in consultatie is. Als gevolg van de huidige financiering van mbo-instellingen dreigt forse verschraling van mbo's in de regio, bijvoorbeeld in Zeeland en Limburg, omdat de financiering nu gebaseerd is op studentenaantallen. In het wetsvoorstel leest mijn fractie de kern van Elke regio telt! impliciet terug, omdat de nieuwe verdeelsleutel nu ook nadrukkelijk rekening gaat houden met die regionale verschillen, juist omdat deze mbo'ers van levensbelang zijn voor de regionale economie. Met deze lijn wil ik het kabinet en zeker ook de MBO Raad complimenteren. Wat mij betreft is het wetsvoorstel een schoolvoorbeeld van hoe zowel Elke regio telt! als de kabinetsreactie vertaald zou moeten worden in wetgeving, waar van toepassing, uiteraard.

Ik wil de minister-president graag aanmoedigen om als kabinet deze lijn door te trekken. Regionale omstandigheden moeten bij het maken van wetgeving vanaf het begin meewegen. Dat voorkomt regelingen die versterken wat al sterk is, terwijl het Rijk elders in het land, zoals in de laatste jaren, een terugtrekkende beweging maakt. Daarom luidt mijn eerste vraag aan de premier, via u, voorzitter, of hij bereid is om bij de jaarlijkse regioparagraaf in de Voorjaarsnota aan te geven welke aankomende wetsvoorstellen belangrijke regionale gevolgen hebben, ook financieel, of kunnen hebben en hoe hij daarmee rekening houdt. Dan kan het parlement ook volgen hoe de ambities daadwerkelijk doorwerken in wetgeving, beleid en middelen. Immers, zo kan het kabinet laten zien dat elke regio telt. Mijn fractie overweegt een motie op dit punt.

Voorzitter. Dan ben ik bij mijn tweede onderwerp, dat ook in een aantal regio's een groot onderwerp is: mijnbouw en, met name, de schadeafhandeling daarvan. U begrijpt, de ervaringen in Groningen en uit de parlementaire enquête vormen een belangrijke inspiratiebron voor de volgende paragraaf. Daarin wordt Groningen overigens niet meer genoemd. Wanneer het Rijk mijnbouw toestaat, moet schadeafhandeling vooraf geregeld zijn. Inwoners moeten weten waar ze terechtkunnen, wat de risico's zijn en hoe de afhandeling is geregeld indien schade optreedt aan een woning of aan de omgeving. Niemand zou een langlopende administratieve procedure moeten doorlopen. Dat is van het grootste belang voor toekomstige besluiten over onze bodem. Of het nu gaat om het exploiteren van bodemschatten of het gebruik van de ondergrond voor de energietransitie, inwoners en medeoverheden moeten erop kunnen vertrouwen dat het Rijk verantwoordelijkheid neemt als er schade optreedt.

Dat vertrouwen ontbreekt. Neem Zuid-Limburg, waar we zien hoelang het Rijk al tekortschiet. Het is ruim 50 jaar geleden dat de mijnen sloten en nu is I3ML in een tijdelijke variant opgericht, maar er is nog niets uitbetaald. In Limburg ervaren ze de huidige staatssecretaris Jo-Annes de Bat als betrokken en benaderbaar, waarvoor ik hem via de premier wil complimenteren. Mijn fractie wil hem dan ook steunen bij het vlottrekken van de uitvoering. Denk aan het schrappen van onnodige administratieve stappen; dat gaat over I3ML. Geef medewerkers de ruimte om aanvragen af te handelen. Bind de Commissie Mijnbouwschade aan vaste, redelijke beslistermijnen en geef I3ML een permanente basis.

Dan mijn tweede vraag aan de minister-president. Wanneer neemt dit kabinet daarover een besluit? Of het een zelfstandig bestuursorgaan wordt of een Limburgse dependance van het IMG is voor mijn fractie niet doorslaggevend, wel dat inwoners tijdig en behoorlijk worden geholpen. Dat was ook de strekking van mijn breed aangenomen motie uit februari 2025: een toegankelijke, toereikende en tijdige schaderegeling, bij voorkeur via één loket, één samenhangend systeem, met regionale toegang. Het lijkt nu vooral een patroon te zijn van steeds een nieuwe regeling boven op een net wat andere regeling met andere procedures. Voor de regelingen wordt niet zelden ook weer een nieuwe administratie opgetuigd. Dat draagt niet bij aan slagvaardigheid, maar wel aan het wantrouwen.

Voorzitter. Wat er gebeurt als dat vertrouwen ontbreekt, zien we bijvoorbeeld in de provincie Fryslân, bij het gasveld Akkrum. Daar gaat het om een middelgroot gasveld dat zich over een lengte van 40 kilometer uitstrekt, ruwweg van Sneek via Drachten tot Oosterwolde, voor een belangrijk deel in een kwetsbaar veenweidegebied waar de druk op bodem en waterbeheer sowieso al zorgwekkend groot is. De provincie Fryslân, het Wetterskip Fryslân en de betrokken gemeenten, waaronder Leeuwarden en Heerenveen, zien veel risico's voor dit kwetsbare gebied en menen dat de lokale effecten niet goed meegewogen zijn in de winningsvergunning. Het ontbreekt de provincie Fryslân en de andere overheden in dit gebied aan zekerheid en vertrouwen, en dat in zo ernstige mate dat de betrokken medeoverheden onlangs hebben gekozen voor een gang naar de rechter. Zover zou het tussen overheden niet hoeven komen. Vandaar, voorzitter, via u mijn derde vraag aan de minister-president: graag uw reflectie hierover.

Harlingen, waar de problematiek speelt rond de zoutwinning, laat zien dat vertrouwen ook kan worden opgebouwd. Inwoners maakten in 2019 binnen de pilot Harlingen rechtstreeks afspraken met medeoverheden en de exploitant: een earlywarningsysteem voor "de hand aan de kraan" en toepassing van omgekeerde bewijslast. Daar werd samengewerkt om de winning en de afhandeling van eventuele schade goed te regelen. Maar vervolgens komt er nu vanuit het Rijk een ontwerpbesluit voor uitbreiding van de zoutwinning zonder eerst met diezelfde betrokkenen om tafel te gaan. Daarmee zet het Rijk het vertrouwen, dat lokaal jarenlang is opgebouwd, op het spel. En u weet: vertrouwen komt te voet en gaat te paard.

Voorzitter. Dit voorbeeld laat duidelijk zien dat de regio niet alleen een vragende partij is als we het hebben over regiobeleid. Hier had de regio een prachtig model te bieden waarmee alle belangen, de maatschappelijke cohesie en het vertrouwen in de overheid zijn gediend. En dat op mijnbouw, een enorm weerbarstig dossier. Vandaar, voorzitter, via u mijn vierde vraag aan de minister-president: wat moeten we hiervan leren over de intenties van het kabinet betreffende regionale oplossingen? Wil het kabinet vertrouwen opbouwen en behouden, dan moet het daaraan werken. Dan moet het Rijk een ordentelijke schadeafhandeling vooraf verzekeren en laten zien dat het huidige stelsel verbeterd wordt. Dat is een noodzakelijke voorwaarde voor toekomstige activiteiten in onze bodem, want als inwoners en regionale en lokale overheden vandaag niet op herstel kunnen rekenen, waarom zouden zij het Rijk morgen dan nog geloven? Graag een reflectie hierover, zo vraag ik via de voorzitter aan de premier.

Ik kijk uit naar de reactie van de minister-president.

De voorzitter:

Ik dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Walenkamp namens de Fractie-Walenkamp.