Verslag van de vergadering van 13 oktober 2026 (2026/2027 nr. 04)
Status: ongecorrigeerd
Aanvang: 11.48 uur
Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.
Mevrouw Perin-Gopie i (Volt):
Dank u wel, voorzitter. Vandaag hebben we een debat over een wet waarbij wij als Kamer worden getoetst op onze rolvastheid, en ook op de vraag of we een goed geheugen hebben. Nog niet zo lang geleden behandelden we in deze Kamer de Asielnoodmaatregelenwet, een wet die het uiteindelijk niet heeft gehaald. Vandaag liggen een aantal onderdelen uit die wet weer voor, maar dan als onderdeel van de novelle bij de Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring. De verpakking is dan misschien iets veranderd, maar de inhoud is op belangrijke onderdelen hetzelfde gebleven. Daarmee is ook onze verantwoordelijkheid als Eerste Kamer niet veranderd. Onze rol is om wetgeving te toetsen op rechtmatigheid, uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid, om te beoordelen of wetten in overeenstemming zijn met de Grondwet, met internationale verdragen en met het Europees recht.
Voorzitter. De Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring is een bestuursrechtelijke maatregel en dus hoort daar ook een ander regime bij dan bij het strafrecht. Het ooit beoogde doel van deze wet was om vreemdelingenbewaring humaner te maken. Maar met de geamendeerde novelle worden bevoegdheden uitgebreid, rechtswaarborgen gewijzigd en onderdelen van eerder verworpen wetgeving opnieuw geïntroduceerd. Er valt heel veel te zeggen over de wet en de novelle die vandaag voorliggen, maar ik beperk mij in onze inbreng op twee zaken: de afschaffing van de gerechtelijke dwangsom en kinderrechten.
Voorzitter. Ik begin bij de afschaffing van de rechterlijke dwangsom. De afschaffing die vandaag voorligt, is inhoudelijk identiek aan de regeling die eerder via de Asielnoodmaatregelenwet werd voorgesteld. Tijdens de behandeling van die wet zijn uitgebreide juridische vragen gesteld over de verenigbaarheid met het Europees recht. De regering heeft destijds aangegeven dat het uiteindelijk aan de rechter is om te bepalen of de afschaffing van de dwangsom verenigbaar is met artikel 47 van het EU-Handvest.
Voorzitter. Dat is een opmerkelijk antwoord, want wij moeten wetgeving maken die duidelijk en juridisch houdbaar is. Wij kunnen hier geen wetten aannemen waarvan de regering zelf niet zeker is of die juridisch wel houdbaar is. Bovendien heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 30 november 2022 zich al over deze kwestie uitgesproken. De afdeling oordeelde toen dat het uitsluiten van een rechterlijke dwangsom in asielzaken zonder een alternatief dwangmiddel, in strijd was met het beginsel van effectieve rechtsbescherming. Dat beginsel is vastgelegd in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
De kern van die uitspraak is eenvoudig. Het is niet voldoende dat iemand naar de rechter kan stappen en daar gelijk krijgt; de overheid moet vervolgens ook daadwerkelijk gevolg geven aan die gerechtelijke uitspraak. De minister heeft in de schriftelijke beantwoording uitgelegd waarom de huidige dwangsomregeling volgens de regering contraproductief werkt. We weten allemaal dat de IND kampt met achterstanden, hoge werkvoorraden en onvoldoende capaciteit. De bedragen die aan dwangsommen worden uitgekeerd, zijn enorm. Volgens mij vinden wij die allemaal veel te hoog. Die bedragen zou niemand moeten willen uitgeven aan het overschrijven van wettelijke beslistermijnen.
Voorzitter. Dwangsommen zijn niet de oorzaak van de termijnoverschrijding. Zij zijn het gevolg ervan. Een uitvoeringsprobleem bij de overheid kan niet zonder meer worden opgelost door een rechtsbeschermingsinstrument van mensen weg te nemen. De regering heeft bovendien tijdens de behandeling van de Asielnoodmaatregelenwet erkend dat het opnieuw vaststellen van de bevoegdheid van de rechter om een beslistermijn te stellen, in de praktijk niets toevoegt aan de bestaande situatie. Daarmee blijft de fundamentele vraag onbeantwoord: wat gebeurt er wanneer de overheid ook de nieuwe rechterlijke termijnen niet naleeft?
Voorzitter. Het Europese Asiel- en migratiepact is inmiddels van toepassing. De nieuwe Asielprocedureverordening bevat in artikel 35 concrete beslistermijnen. Het Europees recht schrijft niet voor dat Nederland daarvoor rechterlijke dwangsommen moet gebruiken, maar stelt wel eisen aan effectieve rechtsbescherming. Daarom vragen onze fracties de minister hoe het juridisch bezwaar uit de uitspraak van de Raad van State van 30 november 2022 is weggenomen. Dus is er nu effectieve rechtsbescherming geregeld? En waarom acht de regering het verantwoord om opnieuw een wet aan te nemen, waarvan zij eerder zelf heeft aangegeven dat de verenigbaarheid met het Europees recht uiteindelijk door een rechter moet worden vastgesteld? Kan de minister bovendien concreet aangeven welk alternatief dwangmiddel de rechter straks nog heeft om naleving van zijn uitspraak af te dwingen?
Voorzitter. Een rechtsstaat waarin de burger zich aan de wet moet houden, maar de overheid rechterlijke uitspraken zonder effectieve consequenties naast zich neer kan leggen, is geen rechtsstaat waarin de overheid en de burger op gelijke wijze aan het recht gebonden zijn.
Voorzitter. Dan kom ik bij de rechten van kinderen. In de schriftelijke ronde heeft mijn fractie uitgebreid vragen gesteld over de gevolgen van deze wet voor minderjarigen. Uit de beantwoording blijkt dat in 2025 ongeveer 140 kinderen met hun gezin in vreemdelingenbewaring verbleven. Dat zijn 140 kinderen die hun vrijheid zijn kwijtgeraakt, terwijl zij niet zijn veroordeeld voor een strafbaar feit. Binnen het afzonderlijke regime kunnen kinderen onder bepaalde omstandigheden nog steeds maximaal twaalf uur per dag worden ingesloten, gedurende maximaal twee weken.
Voorzitter. Dat is een heel ingrijpende maatregel voor een kind. Daarom hebben wij de regering gevraagd of bij de wet en bij de novelle een kinderrechtentoets is uitgevoerd. Het antwoord van de minister heeft mij zeer verbaasd. Hij schrijft namelijk dat bij ieder wetsvoorstel standaard gekeken wordt naar internationale mensenrechtenverdragen, waaronder het Kinderrechtenverdrag. Daarmee wordt materieel al voldaan aan hetgeen de kinderrechtentoets beoogt, aldus de regering.
Voorzitter. Dat vinden onze fracties wel heel gemakkelijk. Een kinderrechtentoets is meer dan het vaststellen of een wetsvoorstel niet evident in strijd is met kinderrechten. Het gaat om het daadwerkelijk onderzoeken van de gevolgen van wetgeving voor kinderen. Welke belangen zijn afgewogen? Welke risico's zijn onderzocht? Welke alternatieven zijn overwogen? En welke keuzes zijn anders uitgevallen omdat het belang van het kind voorop is gesteld? Graag zouden wij hier nog antwoord op krijgen van de minister.
Bovendien heeft de Kinderombudsman eerder ernstige zorgen geuit over de gevolgen van asielwetgeving voor kinderen en gewaarschuwd dat eerdere voorstellen niet door de kinderrechtentoets zouden komen. Zelfs de Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft onlangs nog de noodklok geluid over kinderen in de asielopvang. Dat oordeel ging niet specifiek over deze wet of novelle, maar juist omdat hierin onderdelen van eerdere asielwetgeving opnieuw voorliggen, vinden wij het belangrijk dat de gevolgen voor kinderen expliciet en inzichtelijk worden getoetst. Het liefst zouden wij dat dus ook aan de voorkant van een wetstraject zien. Daarnaast willen wij de minister vragen of hij bij de evaluatie van de wet een kinderrechtentoets wil uitvoeren.
Ik kijk uit naar de reactie van de minister. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u zeer, mevrouw Perin, voor uw bijdrage. De volgende spreker in deze termijn is de heer Janssen, en hij spreekt namens de fractie van de SP.