Plenair Nicolaï bij voortzetting behandeling Wet terugkeer en vreemdelingenbewaring



Verslag van de vergadering van 13 oktober 2026 (2026/2027 nr. 04)

Status: ongecorrigeerd

Aanvang: 14.23 uur

Een verslag met de status "ongecorrigeerd" is niet voor citaten en er kan geen recht aan ontleend worden.


Bekijk de video van deze spreekbeurt

De heer Nicolaï i (PvdD):

Dank u wel, voorzitter. Veel fracties hebben al gewezen op artikel 47 van het EU-Handvest en het feit dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in 2022 heeft gezegd dat het afschaffen van de bevoegdheid om een dwangsom op te leggen in strijd is met die bepaling. Kijkend naar de schriftelijke voorbereiding zien we bij vraag 70 dat de minister suggereert dat de rechtspraak van de afdeling van 2022 is achterhaald door het Kaduna-arrest van het Hof van Justitie van 17 maart 2024. Ik wil de minister en de Kamer toch even meenemen naar dat arrest. Dat arrest ging niet over de vraag of het al of niet in strijd is met het Handvest, maar over de vraag of er de vrijheid was om een bepaalde tijdelijke bescherming van vreemdelingen af te schaffen. De vraag is of dat een door het Unierecht voorgeschreven bescherming is of dat het een facultatieve bescherming is in die zin dat de lidstaat iets meer deed dan het Unierecht vereiste. Ik wil van de minister toch graag een reactie op die twee overwegingen. Dat betreft de antwoorden met nummers 123 en 124. Het Hof beantwoordt eerst de vraag of die bescherming mag worden afgeschaft. De minister schrijft dan: "Uit het voorgaande volgt dat het Unierecht een lidstaat in beginsel toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken." De vraag die daar speelde, was of je iets mag intrekken wat een facultatieve rechtsbescherming, iets extra's, is.

Vervolgens zegt hij, bij antwoord 124, dat een dergelijk besluit tot intrekking geen afbreuk mag doen aan het doel en het nuttige effect van de richtlijn en dat met name de algemene beginselen van het Unierecht in acht moeten worden genomen. De algemene beginselen van het Unierecht zijn onder andere dat er een doeltreffende rechtsbescherming moet zijn. Dat staat in artikel 47 van het Handvest. Dat is ook precies wat de afdeling in feite in 2022 al zei en wat nog steeds overeind staat, ook in de uitspraak die ik voor u zojuist citeerde. Mijn uitdrukkelijke vraag, die aansluit bij vele andere vragen, is: kan deze minister uit dat Kaduna-arrest iets halen waaruit volgt dat de afdeling niet meer de vrijheid heeft om te concluderen dat de rechterlijke bevoegdheid om een dwangsom op te leggen, niet mag worden afgeschaft?

De heer Schalk i (SGP):

De heer Nicolaï noemt opnieuw het woord "doeltreffend". Daar hebben we het voor de pauze het ook even over gehad. Kan hij aangeven op welke wijze hij de dwangsommen, zoals die op dit moment gelden en gehanteerd worden, met een oploop tot 377 miljoen zonder dat die effect sorteren, doeltreffend acht?

De heer Nicolaï (PvdD):

Mijn vraag betreft niet de kwestie of het doeltreffend is. Mijn vraag is of er voldaan is aan artikel 47 van het EU-Handvest. Daarover heeft de Afdeling bestuursrechtspraak in 2022 gezegd: als je de bestuursrechter de bevoegdheid om een dwangsom op te leggen ontneemt, dan is dat in strijd met die bepaling. Ik laat even daar of ik het daarmee eens ben. U bent het er waarschijnlijk ook mee eens, of niet mee eens, maar dat heeft de afdeling gezegd. Nu wordt die bevoegdheid de bestuursrechter weer ontnomen. Nu komt voor ons allemaal, ook straks voor de rechter en voor de minister, de vraag naar voren of dat in strijd zou zijn met artikel 47 van het EU-Handvest. Ik vind zelf dat wij als Kamer daarover moeten oordelen en dat wij niet moeten zeggen: we zien wel hoe de rechter daarover oordeelt.

Die vragen zijn ook in de schriftelijke voorbereiding aan de orde gekomen. De minister zegt: ja, maar er is veel veranderd sinds die uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak uit 2022. Hij verwijst daarbij naar het Kaduna-arrest. Dan komt de vraag op, die ook al door anderen is gesteld: wat staat er in dat arrest uit 2024 waaraan de minister ontleent dat de afdeling nu niet meer zal zeggen dat deze wet in strijd is met artikel 47? Dat is de enige vraag die wij hier moeten beantwoorden. Wat ik zelf versta onder "doeltreffend" en hoe ik ertegen aankijk, is niet relevant. De vraag die ik hier in de Eerste Kamer aan de minister voorleg, is: kan hij aan ons allemaal aangeven waarom de Afdeling bestuursrechtspraak dit wel zal accepteren?

De heer Schalk (SGP):

De vraag is natuurlijk of dat helemaal zo is. In 2022 is er weliswaar een uitspraak geweest die de richting aangeeft die de heer Nicolaï zojuist benoemde. We hebben hier tussentijds even een paar andere dingen gedaan, maar vanmorgen is artikel 47 steeds sec aan de orde geweest. Nu wordt er iets aan vastgekoppeld door het betoog van de heer Nicolaï, waaruit weer nieuwe vragen voortkomen. Vanmorgen ging het over het punt dat artikel 47 ons al zou dwingen om de dwangsommen niet af te schaffen, terwijl er in artikel 47 van het Europese Handvest alleen maar staat — dat staat er niet alleen, maar dat is een hele belangrijke opmerking — dat het doeltreffend zou moeten zijn. Die doeltreffendheid is volslagen weg. Dan moet je toch ook de moed hebben om te zeggen dat we dan andere rechtsmiddelen moeten inzetten? Die zijn er. Er zijn er meerdere. Ik heb het nagezocht. Ik ga ze nu niet allemaal noemen, maar er zijn er meerdere. Er resteert een vraag over doeltreffendheid bij mij, gericht aan de heer Nicolaï. Hij is zelf ook jurist. We moeten ook oordelen over de stand van zaken. Vindt de heer Nicolaï zelf dat de dwangsommen op dit moment nog doeltreffend zijn?

De heer Nicolaï (PvdD):

Ook daarop zijn al diverse antwoorden gegeven in deze Kamer. Ik ben het in dit kader met mevrouw Van Toorenburg eens. Een ambtenaar gaat niet harder werken dan hij al doet. Daar zit het 'm niet in. Maar hoeveel ambtenaren zijn er en wie zorgt voor hen? Dat is één. Twee. Mevrouw Thijssen heeft het ook al gezegd: zou je niet iets aan de termijnen moeten doen als het allemaal vastloopt? Je hoort er als overheid voor te zorgen dat wetgeving naar behoren kan worden uitgevoerd. Op dat stelsel is ook de dwangsombevoegdheid gericht. De dwangsom prikkelt dus niet de ambtenaar, maar de dwangsom prikkelt u om ervoor te zorgen dat de IND zodanig wordt uitgebreid dat de zaak kan worden opgelost. Dat is één. Die prikkelt ons en de Tweede Kamer bovendien om te kijken of de termijnen niet te strak zijn. Ik heb het dan over dat soort zaken. Wij, als overheid, worden geprikkeld om te kijken wat we eraan kunnen doen.

De heer Schalk (SGP):

Ik laat de discussie over artikel 47 even lopen. De heer Nicolaï wijst nu op de ambtenaren die we nodig zouden hebben. Een hele simpele rekensom geeft aan dat als je 377 miljoen euro zou besparen en je ambtenaren een ton per jaar uit zou betalen, je 3.770 ambtenaren erbij hebt om de problematiek op te lossen. Waarom steken we geld in iets wat onoplosbaar is, terwijl we dat geld veel beter zouden kunnen besteden aan de IND of het COA?

De voorzitter:

U kunt uw betoog vervolgen.

De heer Nicolaï (PvdD):

Ik ga verder, voorzitter.

Er is een vraag die ook anderen al gesteld hebben. Ik onderschrijf deze vraag toch maar even. Als een vereiste is dat er een doeltreffend rechtsmiddel moet zijn, wat is dan het doeltreffende rechtsmiddel wanneer de bestuursdwangbevoegdheid wordt afgenomen? Kan de minister dat aangeven? De vraag komt bij mij op of de minister het volgende kan bevestigen. Als niet in een ander doeltreffend rechtsmiddel te voorzien is, is het dan de verwachting dat de bestuursrechter zal oordelen dat het amendement in strijd is met het EU-Handvest? Als de minister dat bevestigt, wat is daar dan zijn reactie op? Dan zijn we bezig met het hier vaststellen van een wet waarvan vaststaat dat die in strijd is met het Handvest. Naar mijn oordeel is dat niet onze taak.

Dat brengt me bij de slotvraag van dit stukje. Wat was de juridische appreciatie op het moment dat het amendement werd ingediend? Er is niet om voorlichting of om een spoedadvies gevraagd bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Er zijn echter kundige juristen op het departement die ook kunnen oordelen over de vraag hoe het zich verhoudt tot de uitspraak van de afdeling uit 2022. Ik zou heel graag willen — dat is dan ook een verzoek aan de minister — dat de juridische appreciatie op dat punt alsnog met de Kamer wordt gedeeld, zodat we kunnen kijken of zorgvuldig is geoordeeld over de vraag of wij straks weer onderuitgehaald worden door de rechter.

Voorzitter. Dat was het punt over artikel 47 van het Handvest.

Ik ben een beetje gaan nadenken als jurist en oud-advocaat over wat er wél gehanteerd zou kunnen worden als efficiënt en doeltreffend rechtsmiddel. De eerste vraag die dan bij me opkomt, is wat het amendement-Van Dijk precies tot stand heeft gebracht. In de Algemene wet bestuursrecht heeft dat een bepaling afgeschaft, namelijk artikel 8:72, lid 6, waarin staat dat er een dwangsom kan worden opgelegd. Maar in artikel 8:72, lid 5 staat: "De bestuursrechter kan zo nodig een voorlopige voorziening treffen. Daarbij bepaalt hij het tijdstip waarop de voorlopige voorziening vervalt." Dus de bevoegdheid van de bestuursrechter om een dwangsom op te leggen is weggehaald, maar de bevoegdheid om een voorlopige voorziening te treffen is niet weggehaald.

Ik kom dan tot een voor sommigen misschien wat raadselachtige en misschien zelfs onaangename conclusie. Als voorlopige voorziening, ook in het vreemdelingenrecht, kom ik de laatste tijd regelmatig tegen dat de rechter zegt: ik tref de voorlopige voorziening dat de vreemdeling wordt behandeld als ware hij in het bezit van de vergunning. Dus hij krijgt dan geen tijdelijke vergunning; de voorlopige voorziening is dat hij moet worden behandeld als ware hij in het bezit van de vergunning. Ik heb hier drie uitspraken. Ik ga ze niet behandelen, maar er gewoon even uit citeren: "(…) bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers worden behandeld alsof de geldigheidsduur van de aan hen verleende vergunningen is verlengd, totdat op het hoger beroep is beslist." Er is dus om verlenging gevraagd, die verlenging is afgewezen. De rechter legt dan geen nieuwe termijn op, maar zegt: nee, we wachten het hoger beroep af, maar in de tussentijd moet je hem gewoon behandelen alsof hij die vergunning had. Ik citeer weer: "Verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist." Hupsakee. Het was nota bene in hoger beroep uitgesproken, maar de rechtbank had het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Je ziet dus dat de bestuursrechter zelf naar middelen gaat zoeken om wanneer een dwangsom niet meer helpt, te zeggen: oké, dan moeten we in die zin bescherming geven door te zeggen "neem de tijd", maar in de tussentijd moet je hem behandelen als ware hij in het bezit van de vergunning.

Mijn vraag aan de minister is of hij kan bevestigen dat dit soort bevoegdheid nog steeds toekomt aan de bestuursrechter. En is de impact van die route niet veel nadeliger dan de impact die verbonden is aan het voortbestaan van de dwangsombevoegdheid van de bestuursrechter? Dat zou dus een reden kunnen zijn voor de bestuursrechter om te zeggen: als we helemaal niets meer kunnen doen om de overheid te brengen tot juiste beslissingen, ga ik maar zeggen hem te behandelen alsof hij de vergunning al heeft gekregen.

Mevrouw Thijssen i (PRO):

Ik vind het heel sympathiek dat de heer Nicolaï meedenkt over welke alternatieven denkbaar zijn. Ik wil er dan nog eentje opgooien. Ik had het net over het verlengen van de beslistermijn. Alleen weet ik niet of dat eigenlijk wel een goed idee is, want als je aan het wachten bent, ben je in dat geval alleen maar langer aan het wachten. Ik heb daarom nog een ander alternatief in petto, namelijk een automatische vergoeding bij termijnoverschrijding. Dat ontlast namelijk wel de rechterlijke macht en ook de IND want het is een automatisme, maar er blijft wel druk op de ketel staan. Hoe denkt de heer Nicolaï over dit voorstel?

De heer Nicolaï (PvdD):

Dat zou de rechter ontlasten en het zou de IND ontlasten omdat er dan geen beroep komt tegen het niet tijdig beslissen. Het is de moeite waard om ook aan dit soort alternatieven te denken, zeker wanneer datgene wat we dreigen aan te nemen, naar mijn oordeel tot nog grotere financiële lasten zal gaan leiden. Dat wil ik graag nu uitleggen.

In mijn interruptie op de heer Dittrich kwam ik al even op het punt dat de bestuursrechter heeft gezegd: als ik niet meer bevoegd ben, is altijd de route naar de civiele rechter open. De civiele rechter is in ons rechtssysteem de zogeheten restrechter. Als de bestuursrechter niet iets kan doen, dan doet de civiele rechter het. Dat betekent dat je het volgende krijgt. Er is niet tijdig beslist. Tegen het niet tijdig beslissen gaat de vreemdeling in beroep bij de bestuursrechter. De bestuursrechter moet over dat beroep beslissen. Hij mag geen dwangsom opleggen, maar moet zeggen: het moet nu binnen die en die termijn. Als die termijn vervolgens overschreden is, is er sprake van het niet naleven van een uitspraak van de bestuursrechter. Dat is onrechtmatig. En bij een onrechtmatige daad heb je altijd de bevoegdheid om daarmee naar de civiele rechter te gaan. Dat betekent dat de vreemdeling of zijn advocaat in een kort geding bij de civiele rechter kan zeggen: "Ik wil graag een dwangsom. Die kan ik bij de bestuursrechter niet krijgen. U bent de restrechter. Ik leg het u voor." Dan zal de civiele rechter daarover moeten oordelen. En aangezien vaststaat dat er een onrechtmatige daad is gepleegd, omdat een rechterlijke uitspraak van de bestuursrechter niet is nageleefd, ontkomt de civiele rechter er niet aan om het verzoek in te willigen.

Dan mijn vragen. Kan de minister bevestigen dat het beroep dan als gegrond wordt beoordeeld en de IND wordt veroordeeld tot de kosten van het geding bij de civiele rechter? En zo ja, hoeveel bedragen de kosten dan per geding? De volgende vraag is: als niet binnen de door de bestuursrechter opgelegde termijn wordt beslist en de vreemdeling vervolgens aan de voorzieningenrechter civiel verzoekt om een dwangsom op te leggen, en dat verzoek wordt gehonoreerd, welke proceskosten zullen dan in die zaak aan de vreemdeling moeten worden vergoed? De volgende vraag is: kan de minister bevestigen dat er als die route wordt gevolgd dus een dubbele proceskostenveroordeling zal zijn, namelijk eerst door de bestuursrechter en daarna door de civiele rechter? Mijn laatste vraag is: kan de minister aangeven in hoeveel gevallen per jaar hij verwacht dat na inwerkingtreding van het amendement de route van bestuursrechter plus civiele rechter zal worden gevolgd, en welke extra proceskosten zullen optreden in verhouding tot wanneer het amendement ingevoegd wordt?

Voorzitter. Dan heb ik nog een aantal slotvragen. In de toelichting van het amendement staat dat de reden voor de afschaffing van de rechterlijke dwangsom ook erin is gelegen dat het de IND simpelweg niet meer lukt om de prioritering aan de hand van rechterlijke uitspraken op te volgen nu inmiddels in het overgrote deel van de zaken een beroep niet tijdig beslissen is ingediend. Daar hebben we het in het debat hier ook over gehad. Het gaat dus om de enorme last die op de IND komt te rusten omdat die te maken krijgt met een beroep niet tijdig beslissen. Nou is het zo dat het amendement voorziet in het afschaffen van de bevoegdheid van de rechter om in dat beroep een dwangsom op te leggen. Maar het amendement voorziet er niet in — daar had ik het ook al over in mijn interruptie op de heer Schalk — dat er geen beroep niet tijdig beslissen meer is. De beroepsmogelijkheid blijft dus bestaan. In die beroepsmogelijkheid bij de rechter moet de IND verschijnen, stukken leveren, een verhaal hebben enzovoort enzovoort. De rechter beslist dan. Die zal geen dwangsom op kunnen leggen, maar zal waarschijnlijk oordelen dat het beroep gegrond is. Maar al dat werk is er nog steeds. Dat wordt toch niet weggenomen? Kan de minister me dat uitleggen? Volgens mij wordt daar helemaal geen lastenverlichting voor de IND in het leven geroepen, los van de financiën.

Dan het tweede punt. Hier was ook even een discussie over met mevrouw Van Toorenburg. Die dwangsombevoegdheid is op een gegeven moment in de Algemene wet bestuursrecht opgenomen als prikkel om ervoor te zorgen dat de overheid zich houdt aan beslistermijnen. We zien dat ambtenaren en ambtelijke diensten overal worstelen met te weinig capaciteit en niet tijdig kunnen beslissen. Ik zou dus de volgende vraag voor mevrouw Van Toorenburg hebben. Ik heb me helemaal verdiept in de Omgevingswet, u niet onbekend. Er is geen jurist meer te vinden die bij een gemeente een baantje wil op het gebied van het omgevingsrecht. Ze hebben dus allemaal een capaciteitstekort. Als er een capaciteitsprobleem is, betekent dat dan dat we die dwangsommen gaan afschaffen? Dat principe is hier immers eigenlijk aan de orde: je hebt een capaciteitsprobleem, dat je niet oplost of niet kan oplossen — dat weet ik niet — en daarom moet de burger maar de dupe van dat capaciteitsprobleem worden. Dat is uiteindelijk het punt. Hoe kijkt de minister daartegen aan?

Helemaal tot slot toch nog even over de kwestie van artikel 22. Dat wordt zo gewijzigd dat er staat: "indien dit in verband met de uitzonderlijke omstandigheden noodzakelijk is, kan bij ministeriële regeling voor ten hoogste twee maanden worden afgeweken van". Dan komen er een aantal bepalingen over bezoekregelingen, bewegingsvrijheid enzovoort. Kan de minister mij uitleggen wat er wordt bedoeld met "uitzonderlijke omstandigheden"? We moeten opletten: we hebben de lockdown; als één persoon amok maakt, kan hij met een lockdown te maken krijgen. Dan is het een individuele beslissing. Deze bevoegdheid is niet een individuele beslissing. Hier wordt in zijn algemeenheid geregeld dat er wordt afgezien van bepaalde rechten die normaal zouden gelden. Waarom is dat gebeurd? Wat zijn die "uitzonderlijke omstandigheden"? Dat wil ik graag van de minister horen. Ik zie ook dat het om twee maanden gaat en dat die periode verlengd, nog een keer verlengd en nog een keer verlengd kan worden; daar had mevrouw Thijssen het al over. Het kan in feite eindeloos voortduren. Is dat juridisch gezien niet een ontzettende faux pas? Dit betekent immers in feite dat een minister of een uitvoeringsorgaan een wettelijk recht, dat ook nog te maken heeft met grondrechten, voor altijd zou kunnen beperken en afschaffen. Ik zie niet dat dat een juiste beslissing is, maar daar hoor ik graag de minister over.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Van den Oetelaar. Hij spreekt namens Forum voor Democratie.